zwam (de ~, ~men)
1 bladgroenloos organisme bestaande uit draadvormige ketens van cellen, waartoe de schimmels en de paddestoelen behoren => fungus
2 paddestoel, d.w.z. het vruchtlichaam, zoals gevormd door vele steeltjes- en zakjeszwammen
zwam·men (onov.ww.)
1 [inf.] ondegelijk of zonder kennis van zaken eindeloos redeneren => kletsen