1. De verboden wapens
a) Worden als dusdanig beschouwd door de wet :
(1) Dolken en dolkmessen, met uitsluiting van jachtmessen.
Terwijl een mes fundamenteel beschouwd wordt als een werktuig bedoeld om te snijden, is een dolk een stootwapen van het korte en puntige type en voorzien van een lemmet met meerdere snijkanten en van een stootplaat. De "dolkmessen" zijn tuigen waarvan de essentiële kenmerken (puntig - stootwapen) hen de uiterlijke vorm geven van een dolk.
De wet voorziet uitdrukkelijk in een uitzondering voor de jachtmessen, [dit zijn grote messen met één snijkant die worden gebruikt om wild af te maken]. Deze uitzondering [die betekent dat hun vervaardiging, verkoop en bezit volledig vrij zijn], is eveneens geldig voor de messen met een in het algemeen sportief gebruik zoals voor de visvangst, het alpinisme, het duiken,...
(2) Degenstokken.
Hiermee beoogt men de tuigen die uiterlijk de vorm hebben van een stok, maar waarbinnen in werkelijkheid een lemmet schuilgaat, dat in het algemeen is vastgehecht aan de kruk van de stok en dat door een relatief eenvoudige handeling kan worden uitgetrokken.
(3) Geweerstokken.
Ook dit zijn tuigen, die uiterlijk de vorm van een gewone stok hebben, maar die in werkelijkheid een lang vuurwapen verbergen, en dit ongeacht het kaliber ervan.
(4) Knotsen.
Hieronder worden niet alleen de knuppels gerangschikt, i.e. de stokken die speciaal zijn vervaardigd om zware slagen toe te brengen aan een tegenstrever, maar ook de goedendags en de boksbeugels. Moet eveneens worden beschouwd als een knots, een roede van ongeveer 20 cm lengte die bestaat uit een ijzeren veer die uitloopt op een loden bol.
(5) Vouwgeweren boven kaliber 20.
Het is duidelijk dat men hier niet de "openknikkende" geweren, zoals veel jachtwapens, beoogt (de loop draait rond een as wanneer het geweer wordt geopend).
Onder een vouwgeweer begrijpt men de wapens waarvan de loop, door volledig te draaien rond een as, naast de kolf komt, zodat de lengte van het wapen praktisch is herleid tot de helft ervan, waardoor het aldus gemakkelijk kan worden verborgen onder de kledij.
De uitdrukking "kaliber 20" is de Engelse aanduiding van de maat van het kaliber; het wordt bepaald door het aantal loden kogels van dezelfde middellijn als de ziel van het wapen dat één pond in gewicht vertegenwoordigt. Zo is een kaliber 16 of 12 groter dan een kaliber 20.
(6) Geweren waarvan de loop of de kolf in verschillende delen kan worden uiteengenomen.
Deze wapens worden gerangschikt in de categorie van de verboden wapens omwille van de grote eenvoud waarmee ze kunnen worden verborgen. Opnieuw betreft het niet de openknikkende jachtgeweren die eveneens gemakkelijk kunnen worden uiteengenomen in drie delen : de loop, de kolf en het sluitstuk.
Opdat het wapen een verboden wapen zou zijn, is het vereist dat de loop of de kolf in verschillende delen kan worden uiteengenomen en dit ongeacht het kaliber van het wapen.
(7) Alle verdoken of geheime aanvalswapens die niet als verweerwapens of oorlogswapens mochten zijn beschouwd.
Het komt uiteraard aan de Hoven en Rechtbanken toe om de inhoud van deze subcategorie te bepalen. Werden aldus beschouwd als verboden wapens: de karabijnen van om het even welk kaliber met geluidsdempers, de springmessen (niet de plooimessen), de [telescopische en] elektrische wapenstokken, de pennen die toelaten een .22-patroon af te vuren en de spuitbussen [die weerloos makende stoffen verspreiden ][(en meer algemeen, elk voorwerp dat een instrument van agressie kan worden, rekening houdend met zijn aard en met de intentie van de houder)].
[ (8) Anti-personenmijnen, valstrikmijnen en soortgelijke mechanismen.
De wet van 9 maart 1995 heeft artikel 3, eerste lid van de wet aangevuld met alle tuigen die ontworpen of aangepast zijn om te ontploffen of uiteen te spatten door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon, en die op of onder enig oppervlak of in de nabijheid daarvan worden geplaatst.]
6 VERGUNNING TOT HET DRAGEN VAN EEN VERWEERWAPEN
6.1 WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE GRONDSLAG
Artikel 7 van de wet;
De artikelen 15 tot en met 17 van het K.B..
6.2 BEGINSEL
De natuurlijke persoon die houder is van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, mag dat wapen daarom nog niet naar believen bij zich dragen. Uit de voorbereidende werkzaamheden, uit de rechtsleer en de rechtspraak kan worden opgemaakt dat het begrip "een wapen dragen" wordt opgevat als het wapen nemen, het bij zich houden in een zak of in een etui of nog het binnen handbereik hebben.