Uit: Verhaal van een leven (deel 2: Onrustige jeugd) van Konstantin Paustovski.
Het verzonnen leven bestond uit zwerftochten, ontmoetingen met buitengewone mensen, verbazingwekkende gebeurtenissen. Er hing het teder waas der liefde over. In wezen was het één lange, aaneengeregen droom. Natuurlijk kon men nu medelijdend glimlachen om mijn toenmalige zielstoestand. (...) Wij zijn door ervaringen rijp geworden en hebben zo te zeggen recht op zo'n glimlach. Dat geloven althans nuchtere lieden die van mening zijn dat enkel zij met serieuze dingen bezig zijn.
Maar in werkelijkheid hebben zij het recht er niet toe. Zij hebben het recht niet met die jonge dromen te spotten, die in de ziel van velen de eerste zaadkorreltjes der poëzie hebben doen ontkiemen. In deze verdichtsels lag zuiverheid, edelheid, en over het gehele leven van die mensen bleef een afspiegeling van deze eigenschappen liggen.
Ieder die in zijn jeugd deze eigenschappen had, zal het met mij eens zijn dat hij in die levensfase over onuitputtelijke rijkdommen beschikte. De wereld was van hem. Voor hem bestonden er geen grenzen, in de tijd niet en in de ruimte niet. Zo kon hij de geur van paddenstoelen op de taiga inademen en nog geen moment later de lucht van de Parijse boulevards met hun wazig brandende lantaarns. Hij kon een gesprek aangaan met Victor Hugo, met Lermontov, met tsaar Peter de Grote en met Garibaldi. Hij kon een zeventienjarige gymnasiaste met een bruine schooljurk, die van gelegenheid aan haar vlechten peutert, evengoed zijn liefde verklaren als Isolde. Hij kon samen met Mikloecho-Maklaj in de tropische wouden van Nieuw-Guinea wonen of met Poesjkin naar Erzurum galopperen. Hij kon zitting hebben in de Nationale Conventie of de eerste wegen banen door de bossen van Florida. Hij kon met de vader van Kleine Dorrit wegens schulden in de gevangenis zitten of mee terugreizen naar Engeland met het stoffelijk overschot van Lord Byron.
Grenzen waren er niet. Ik zou graag de scepticus ontmoeten, die niet toegeeft dat deze tweede wereld een mens verrijkt en invloed uitoefent op de gedachten en handelingen tijdens zijn leven.
Over dit alles schreef ik. Ik zat daarbij in de brede vensterbank. Een tafel bezat ik niet. Ik stopte vaak, keek uit het raam naar de met bevroren sneeuw bedekte takken van de linden in de Zoölogische Tuin, waar bevroren sneeuw op lag. Ik hoorde steeds weer die vogel op de vijver klagend en zachtmoedig 'Wat is dat allemaal? Mijn God, wat is dat allemaal!' roepen.