Autoweg.
De bijzondere verkeersregelen op de autowegen gelden vanaf de plaats waar het verkeersbord is aangebracht tot het volgende kruispunt.
Dit verkeersbord wordt rechts geplaatst en mag links herhaald worden.
Dit verkeersbord mag afgebeeld worden op de verkeersborden F25, F27, F29, F31, F39 en F41 om aan te duiden dat de gesignaleerde reisweg over een autoweg gaat.
Artikel 22: Verkeer op autowegen
22.1. Alleen de motorvoertuigen en hun aanhangwagens, met uitzondering van de bromfietsen, de landbouwvoertuigen en de slepen van kermisvoertuigen, alsook de driewielers zonder passagiersruimte en met een ledige massa van niet meer dan 400 kg en de vierwielers zonder passagiersruimte, worden tot het verkeer op autowegen toegelaten.
22.2. De bepalingen van artikel 21.4. en 21.6. gelden op de autowegen.
21.4. Op autosnelwegen is het verboden :
1° de dwarsverbindingen te gebruiken;
2° te keren;
3° achteruit te rijden of te rijden in de tegenovergestelde rijrichting;
4° een voertuig te laten stilstaan of te parkeren, behalve op de parkeerstroken, aangewezen door het verkeersbord E9a.
21.6. Op autosnelwegen zijn verboden :
1° stoeten, betogingen en samenscholingen;
2° reklametochten;
3° technische proeven met prototypes van voertuigen;
4° sportwedstrijden, inzonderheid snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden;
5° de verkoop of het te koop aanbieden van enig voorwerp, behoudens toelating van de Minister tot wiens bevoegdheid het beheer van de autosnelwegen behoort of van zijn gemachtigde.