oke sorry voor het lange wachten hiermee,
dit is de oplossing: (rechtstreeks van de site geplukt)
Aangezienf(x) =xvoor allex∈[−1,1], en omdat−1≤g(x)≤1, kunnen we dus zekermeteen besluiten datf(g(x)) =g(x). Dit is antwoordalternatief 3.Wil je ook inzien dat de overige alternatieven niet waar zijn, kijk dan naar dezevoorbeelden:Bekijk de functieg:R→R:.x→ |x−0.5|. Nu geldt duidelijk datg(x) =g(1−x).Hiermee kun je aantonen dat het eerste alternatief fout is; immers voorx= 2, heb je datf(1.5)6= 1.5.Ook het vijfde (en bijgevolg tweede en vierde) alternatief gelden niet; een functiegwaarvoorg(1)6=g(2) kan al dienen als tegenvoorbeeld, wat niet in strijd is met de tweegegevens overg.