Om tot een kans te komen, bespreken we eerst een tweetal intuïtieve benaderingswijzen van het begrip kans. Als eerste baseren we ons op het ervaringsfeit dat, als een uitkomst in bv. 30% van een lange reeks waarnemingen optreedt, we dit getal van 30% als de kans van optreden van die uitkomst interpreteren (Von Mises, 1920). We beschouwen daartoe een experiment waarbij de gebeurtenis A kan optreden. Voeren we het experiment N maal uit, dan noemen we de fractie keren dat de gebeurtenis A optreedt, het frequentiequotiënt van A bij N uitvoeringen van het experiment.
Definitie
Het frequentiequotiënt fq(A) van de gebeurtenis A bij n herhalingen van een experiment is de fractie malen dat A optreedt, dus
;
daarin is N(A) het aantal keren dat A bij die n herhalingen optreedt.
Voor vaste n heeft het frequentiequotiënt de volgende eigenschappen.
Stelling 1.2.1 (eigenschappen van frequentiequotiënt)
Voor het frequentiequotiënt fq(A) van een gebeurtenis A geldt:
(a) fq(A) ≥ 0
(b) fq(S) = 1.
(c1) als A en B twee disjuncte gebeurtenissen zijn, dan is: fq(A ∪ B) = fq(A) + fq(B).
(c2) algemeen geldt voor aftelbaar oneindig veel disjuncte gebeurtenissen A1,A2,...
Uiteindelijk komt het erop neer: