Volg de onderstaande video om te zien hoe je onze site als web-app op je startscherm installeert.
Opmerking: Deze functie is mogelijk niet beschikbaar in sommige browsers.
Curze zei:Ik zag 2 beren, of ook wel eens de Amerikaanse zwarte beer of baribal (Ursus americanus) genoemd. Het is de kleinste van de drie berensoorten in Noord-Amerika. Hij komt voor in bijna heel Alaska en Canada, de Rocky Mountains tot in Mexico en van de Appalachen tot Florida. In het oosten van zijn leefgebied is hij over het algemeen zwart en in het westen zijn de beren zwart tot kaneelkleurig, maar er zijn ook witte en blauwe varianten van bekend. Hij leeft voornamelijk in bossen, beboste bergen tot 2100m hoogte en moerassen. Zijn dieet bestaat vooral uit planten: knoppen en twijgen, bladeren, noten, wortels, vruchten, bessen en spruiten. Ook leeft hij van vis, insecten, larven, honing, kleine tot middelgrote zoogdieren en andere gewervelden. Volwassen vrouwtjes wegen tussen 40 en 180 kg en volwassen mannetjes wegen tussen 114 en 274 kg. Daarnaast heb je natuurlijk ook nog de bruine beer (Ursus arctos). Deze beer is een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt. In Noord-Amerika komen drie ondersoorten voor, de Kodiakbeer, de grizzlybeer en de Mexicaanse beer. In Europa leeft de Europese bruine beer. Eens waren ze talrijk in Europa, maar momenteel komen nog slechts restpopulaties voor; onder andere in Scandinavië, Oost-Europa (vooral in Roemenië) en Azië. Agressief zijn bruine beren niet - als ze tenminste met rust gelaten worden - en waarschijnlijk betekenen ze nauwelijks een gevaar voor de mens. Hooguit hebben ze het af en toe gemunt op gemakkelijke prooien zoals runderen en andere huisdieren. Beren houden een winterslaap, tenminste in koude streken, maar hij is erg licht en kan elk gewenst moment onderbroken worden. De brilbeer (Tremarctos ornatus) is de enige nu nog levende soort in het geslacht Tremarctos van de beren (Ursidae). Het is de enige berensoort die zijn oorsprong in Zuid-Amerika heeft. Zijn huid is bedekt met zwart bont met een kenmerkende beige tekening op de borst en kop, de grote cirkels rond zijn ogen als een bril. Het mannetje kan een tot wel twee keer zwaarder worden dan het vrouwtje, het mannetje weegt tot 130 kilo, het vrouwtje tot 60 kilo. Het leefgebied beslaat westelijk Venezuela, Ecuador, Peru, westelijk Bolivia, noordwestelijk Argentinië en Panama. Ondanks dit grote gebied en zijn perfecte aanpassing aan het leven in de meest onherbergzame delen van het Amazone gebied is dit de meest bedreigde berensoort. Natuurlijk mogen we de ijsbeer (Ursus maritimus, voorheen: Thalarctos maritimus) niet vergeten. Dit dier is een grote geelwitte beer, die langer en groter is dan de andere beren (Ursidae). De ijsbeer komt enkel voor in en rond het Noordpoolgebied. Hij is het meest carnivoor van alle beren, en leeft vooral van zeehonden. De ijsbeer is een vrij jonge soort die tijdens het Pleistoceen, in de laatste 200.000 jaar ontstaan is, vermoedelijk uit Siberische populaties van de bruine beer. De ijsbeer is zeer groot: hij kan tot 3 meter lang en 800 kilogram zwaar worden. Hij heeft een lange nek en een grote neus. De huid is zwart, ook naakte delen als de neus en de lippen. De haren in de vacht zijn niet wit, maar doorzichtig en hol. De kleur van de vacht is, afhankelijk van de tijd van het jaar, lichtval en de hoeveelheid vuil in de vacht, gelig wit tot vuilgrijs. Het is waterafstotend en houdt de warmte van de zon vast. Daarnaast heeft de ijsbeer een dikke onderhuidse vetlaag, waarmee hij warmte vasthoudt. De ijsbeer heeft vliezen tussen zijn tenen, waardoor hij beter kan zwemmen. Zijn achterpoten gebruikt hij als een soort roer om mee te sturen. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes en hebben een opvallend grotere neus. Mannetjes worden gemiddeld 190 tot 240 centimeter lang en 300 tot 600 kilogram zwaar, vrouwtjes 170 tot 200 centimeter lang en 150 tot 300 kilogram zwaar. IJsberen hebben een klein staartje, ongeveer acht tot tien centimeter lang. e paringstijd is van maart tot juni, met een piek in april. De ijsbeer kent een verlengde draagtijd, en het embryo komt waarschijnlijk pas in oktober of november in ontwikkeling. De dracht duurt daardoor 200 tot 250 dagen. Er zijn meestal 2 jongen, die in december of januari in een sneeuwhol worden geboren. Een enkele keer worden één tot vier welpen geboren. Bij de geboorte zijn de jongen ongeveer 600 gram zwaar en 25 centimeter lang. De oogjes zitten dicht en de diertjes zijn bedekt met dun haar.
Een drachtig vrouwtje brengt de winter door in een sneeuwhol dat zij zelf heeft gegraven. Het hol wordt gegraven in een sneeuwheuvel, op plaatsen waar de sneeuw hard en stevig is. Na een tunnel bevindt zich de kraamkamer. Soms bevinden zich meerdere kamers in een hol, maar meestal slechts eentje, waarin het ijsbeervrouwtje overwintert. Het hol bevindt zich over het algemeen op het vasteland, aan de kust, maar soms wordt het gegraven op het pakijs. De jongen verlaten het hol voor het eerst in maart of april, als ze ongeveer drie maanden oud zijn. Ze wegen dan ongeveer negen tot elf kilogram. Alleen het vrouwtje zorgt voor het jong. Mannetjesberen worden gemeden, aangezien deze de welpen kunnen doden. De moedermelk is rijk aan vetten en calorieën. De jongen worden 1-3 jaar gezoogd en worden na 24 tot 28 maanden onafhankelijk. Na drie tot zes jaar zijn ze geslachtsrijp. Vrouwtjes zijn volgroeid als ze vijf à zes jaar oud zijn, mannetjes pas na acht tot tien jaar. IJsberen worden tot 32 jaar oud in het wild. In gevangenschap kunnen ze 42 jaar oud worden. De ijsbeer leeft meestal alleen en is zowel overdag als 's nachts actief. Ook in de lange, donkere winter zijn ze actief. Drachtige vrouwtjes houden dan echter een winterslaap. De ijsbeer is een bijzonder goede zwemmer die vele kilometers van de kust aangetroffen kan worden. De naam Ursus maritimus betekent dan ook "zeebeer". Hij kan tot 72 seconden onder water blijven en in het water snelheden van drie tot vier kilometer per uur behalen. Toch jaagt hij ook te land en is daar bijzonder snel. Ze kunnen tot twintig kilometer per dag afleggen, en trekken mee met de grens van het pakijs, die zomers noordelijker ligt dan 's winters. IJsberen leven solitair. Soms komen ze in groepen voor, en zijn dan vrij tolerant tegenover elkaar. Groepsvorming komt vooral voor op plaatsen waar bijzonder veel voedsel voorhanden is, als vuilnisbelten en karkassen van gestrande walvissen. Mannetjes zijn agressief tegenover elkaar in de paartijd. Ook doden mannetjes wel eens berenwelpjes en andere beren. Bij slecht weer graven veel ijsberen een tijdelijk hol (voornamelijk moeders met jongen), maar ze drukken zich ook vaak tegen de grond, waarbij de vallende sneeuw de beer bedekt. De ijsbeer leeft van zeehonden. Vooral de ringelrob is geliefd, maar ook andere soorten, als baardrob, en in mindere mate zadelrob en klapmuts, worden gedood. Ook aas, walrussen, kleinere walvissen als beloega's en narwallen, vis, sneeuwhaas, lemmingen, zeevogels, eieren, rendier en muskusos worden soms gegrepen. In de zomer trekken enkele ijsberen naar land, waar ze ook plantaardig voedsel als bessen en grassen eten, evenals menselijk afval. Hij maakt gebruikt van zijn grote klauwen en zijn goed ontwikkelde reukzin om zijn prooi te vinden en te doden. De witte vacht dient daarbij als camouflage. Er wordt gezegd dat ijsberen tijdens de jacht hun poten voor de (zwarte) neus houden, zodat deze niet zou opvallen. Op zeehonden jaagt hij door te wachten bij ademgaten, maar ook worden ze gedood in holen (ringelrobben werpen hun jong in een sneeuwhol), in het water en op het ijs, waarop de zeehonden rusten. De ijsbeer heeft een circumpolair verspreidingsgebied. Op Groenland komt de soort zowel op de oost- als op de westkust voor. Op het Europese vasteland komt de ijsbeer niet in het wild voor, maar in het noorden van IJsland worden regelmatig verdwaalde ijsberen waargenomen. Een groot gedeelte van het jaar is de beer te vinden op het drijfijs. De ijsbeer heeft geen natuurlijke vijanden. Er is echter in de bergen van Oost-Groenland gebleken dat de niveaus van door de mens in het milieu gebrachte stoffen zoals PCB en DDT erg hoog is. Op Spitsbergen is de concentratie zelfs zo hoog dat er gevreesd wordt voor het voortbestaan van de soort omdat de voortplantingsorganen en het immuunsysteem er door aangetast worden. Sinds mei 2006 staat de ijsbeer als "kwetsbaar" (VU) op de Rode Lijst van de IUCN, omdat verwacht wordt dat door de gestage afname van drijfijs in de zomer door het broeikaseffect de populatie de komende 45 jaar met minstens dertig procent zal dalen. Overigens werd de ijsbeer ook in veel oudere Rode Lijsten (tot 1994) als "kwetsbaar" beschouwd. Daarna werd de status "van bescherming afhankelijk" (LR/CD) gegeven voor deze soort. Op 27 december 2006 stelt de Amerikaanse regering voor om de ijsbeer als bedreigde diersoort te beschouwen. Er zouden er nog ongeveer 20.000 - 25.000 leven op de hele wereld, waarvan 2.200 in Alaska. Daarnaast is er ook nog de Aziatische zwarte beer of kraagbeer (Ursus thibetanus), deze komt vooral voor in Zuid-Azië: Pakistan, Afghanistan, India, China en verder naar het noorden in Rusland, Korea, op Taiwan en in Japan. Er zijn 7 of 8 ondersoorten. Hij wordt ook wel de Tibetaanse beer of Himalayabeer genoemd. De Aziatische zwarte beer heeft een ronde kop met grote oren die ver uiteen staan. De mannetjes en vrouwtjes verschillen wezenlijk in grootte van elkaar (110-150 kg tegenover 65-90 kg). De zwarte beer heeft korte klauwen van 4-5 centimeter, maar kan toch uitstekend bomen beklimmen. Hij is ook een goede zwemmer. De zwarte beer is een omnivoor en eet een grote variëteit aan voedsel: fruit, noten, planten, grassen, bessen, maar ook vlees (vissen, vogels, knaagdieren), termieten, larven en honing staan op het menu. Waar plantaardig voedsel in rijke mate voorhanden is, zoals in Japan, is deze beer een planteneter. Zijn natuurlijke vijanden zijn de tijger, en de wolf. Ook is er nog de reuzenpanda of bamboebeer (Ailuropoda melanoleuca), een beer die wordt ondergebracht in de onderfamilie der Ailuropodinae, waarvan hij de enige levende vertegenwoordiger is. Er bestaan twee ondersoorten, Ailuropoda melanoleuca melanoleuca en Ailuropoda melanoleuca qinlingensis. Het woord "panda" zou een verbastering zijn van de naam in het Nepalees, poonya, wat bamboe-eter betekent.[2] De Chinezen noemen het dier 大熊猫 (da xiong mao), oftewel grote katbeer. De ogen van het dier lijken namelijk op die van een kat. Dit ter onderscheiding van de kleine panda (小熊猫, xiao xiong mao, kleine katbeer). Er is lang onzekerheid geweest over de plaats van de panda ten opzichte van andere soorten, maar recent genetisch onderzoek plaatst hem toch in de familie van de beren, ursidae, zij het dat de laatste gemeenschappelijke voorouder wel de oudste van alle beren is. De naaste verwant lijkt de Zuid-Amerikaanse brilbeer te zijn. In 2009 werd een grootschalig genoomonderzoek op de reuzenpanda afgerond, vooral met het oog op de vruchtbaarheidsproblemen waarmee de diersoort te kampen lijkt te hebben. Het onderzoek heeft aangetoond dat het genoom van de reuzenpanda tussen de andere bekende genomen het meest gelijkenissen vertoont met dat van de hond. Dit betekent echter niet dat de panda nu als hondachtige moet worden beschouwd. De panda is waarschijnlijk relatief weinig geëvolueerd vergeleken met beren en honden, waardoor hij kenmerken heeft die ook nog in honden te vinden zijn. Wat de wetenschappers het meest verbaasde, is dat de panda geen genen heeft om cellulose af te breken, een stof die veel in bamboe te vinden is. Waarschijnlijk rekent hij voor de afbraak daarvan op bacteriën in het spijsverteringsstelsel. Zijn oorspronkelijke habitat zijn de de laaggelegen hellingen van berggebieden in het westen van China, zoals in Sichuan en Yunnan. De reuzenpanda is zwart/wit gekleurd (A. m. qinlingensis is echter bruin). De zwarte plekken bevinden zich op vaste plaatsen als de oren, ogen, poten en schouders. Het gewicht varieert van 80 kg voor de vrouwtjes tot 100 kg voor de mannelijke exemplaren. Pasgeboren jongen wegens slechts 85-150 gram. Hoewel de reuzenpanda taxonomisch gezien tot de orde van de roofdieren (carnivora) behoort, is de Panda hoofdzakelijk een planteneter. Hij eet voornamelijk bamboe. Doordat de reuzenpanda een carnivoor spijsverteringsstelsel heeft, is het moeilijk voor de reuzenpanda om de plantaardige cellen af te breken, waardoor de reuzenpanda 9 tot 14 kg aan bamboe moet eten, om zo aan zijn energiebehoefte te voldoen. Hij doet daar ongeveer 10 tot 12 uur per dag over. Hij heeft een zesde vinger (eigenlijk een soort uitloper van het polsgewricht) waarmee hij de bamboescheuten goed kan pakken. Reuzenpanda's leven het grootste deel van het jaar alleen. In de paartijd zoeken ze elkaar op. De paartijd duurt twee tot drie dagen en vindt een keer per jaar plaats. Het vrouwtje heeft een draagtijd van vijf maanden. Er is meestal maar één jong. Ze zoogt haar jong een halfjaar en blijft bij hem tot hij drie jaar oud is. De panda brengt het grootste gedeelte van zijn tijd op de grond door. Als hij bedreigd wordt klimt hij in een boom, waar hij wacht tot het gevaar voorbij is. Reuzenpanda's hebben met hun stompe kop met de door de zwarte vlekken groter lijkende ogen en hun zwartwitte vacht een uiterlijk dat sterk aan menselijke emoties appelleert: het dier ziet er schattig uit. Panda's zijn echter beslist niet ongevaarlijk en hebben wel eens mensen aangevallen, al is dit vaak uit irritatie. Panda's communiceren onderling door geluidssignalen, die eerder op het blaten van schapen dan op het brullen van andere berensoorten lijken. Wanneer een reuzenpanda opgewonden is, kan deze een blaffend geluid voortbrengen. De gemiddelde leeftijd die in het wild bereikt wordt is zo'n 15 jaar. In gevangenschap in dierentuinen kunnen leeftijden tot wel dertig jaar bereikt worden. Een voorbeeld daarvan is Bao Bao, (geboortejaar 1978), een mannetjespanda van de Berlijnse dierentuin (Zoologischer Garten Berlin). De panda werd in het westen voor het eerst bekend in 1869 door de Franse missionaris Armand David (1826-1900). Hij noemde het dier Ursus melanoleucus ('zwartwitte beer'). Chinese schrijvers vermeldden het dier reeds drieduizend jaar geleden. Uit fossiele vondsten blijkt dat de panda in het Pleistoceen over een groter gebied voorkwam dan tegenwoordig. Fossiele vondsten van Panda zijn bekend uit grotten en karst-vullingen uit Zuid China, Vietnam en midden Thailand. De reuzenpanda is bedreigd door het verloren gaan van zijn habitat en de beperktheid van zijn dieet, waardoor hij eigenlijk niet op ander voedsel kan omschakelen en ook het houden van de soort in dierentuinen moeilijk is. Door hun opvallende tekening en de vorm van hun gelaat appelleren panda's sterk aan menselijke emoties, reden waarom ze door het Wereld Natuur Fonds tot mascotte en symbool zijn uitverkoren. Er zijn in China beschermende maatregelen genomen en in dierentuinen over de gehele wereld worden pogingen gedaan reuzenpanda's te fokken. Ze planten zich echter zowel in het wild als in dierentuinen maar zeer langzaam voort. Er wordt geschat dat er nog circa 1400-1600 panda's in het wild bestaan. In 2005 werd in de dierentuin van Washington een reuzenpanda geboren. De moeder was kunstmatig bevrucht. De jonge panda zal na één of twee jaar naar een reservaat in China worden gebracht. Op 23 augustus 2007 werd in Tiergarten Schönbrunn in Wenen de mannetjes panda Fu Long geboren. Dit was de eerste in Europa geboren reuzenpanda sinds 1982, toen in de dierentuin van Madrid een, kunstmatig verwekte, reuzenpanda-baby ter wereld kwam. Fu Long is op volstrekt natuurlijke wijze verwekt. In november 2009 is Fu Long naar China overgebracht om daar te gaan deelnemen aan een panda-fokprogramma. In Chengdu, China, is een onderzoeks- en fokcentrum voor reuzenpanda's en rode panda's. Buiten China zelf is de reuzenpanda een zeldzaamheid in dierentuinen. Wereldwijd zijn er, buiten China, slechts dertien dierentuinen met reuzenpanda's. De meeste reuzenpanda's die buiten China leven zijn eigendom van de Chinese overheid en worden voor ongeveer 10 jaar aan dierentuinen uitgeleend. Bijna alle dieren in gevangenschap nemen deel aan één internationaal gecoördineerd fokprogramma. Binnen dit programma zijn er in de afgelopen jaren, buiten China, reuzenpanda's geboren in Tiergarten Schönbrunn (2007), de San Diego Zoo (2007 & 2009) en in de dierentuin van Atlanta (2006 & 2008). In Europa leven momenteel vijf reuzenpanda's: Sinds 1980: de in 1978 geboren Bao-Bao in de Zoo Berlin. Sinds 2003: Yang Yang en Long Hui in de Tiergarten Schönbrunn in Wenen, de ouders van de in augustus 2007 geboren, en in november 2009 naar China verhuisde, pandababy Fu Long. Sinds 2007: Bing Xing en Hua Zuiba in de Zoo Aquarium, de dierentuin van Madrid. In Noord-Amerika leven er zeventien reuzenpanda's verspreid over het Smithsonian National Zoological Park in Washington D.C., de San Diego Zoo, de Memphis Zoo en de Atlanta Zoo in de Verenigde Staten en de Chapultepec Zoo in Mexico-Stad, de hoofdstad van Mexico. In Australië zijn er sinds 2009 twee reuzenpanda's te zien in de Adelaide Zoo.
Om nog eens op het versje terug te komen .... en bestudeerde ze.
menneke zei:Ik zag 2 beren op wikipedia studeren.