lttuvix
Legacy Member
te·ta·nie (de ~ (v.))
1 [med.] kramp in de ledematen en het gezicht die vooral bij kinderen aanvalsgewijze optreedt
te·ta·nus (de ~ (m.))
1 infectieziekte met spierkrampen en spierstijfheid
2 kramp van een spier
te·ta·nus·se·rum (het ~)
1 serum afkomstig van bepaalde zoogdieren die met tetanusgif zijn behandeld
tê·te-à-tê·te (het ~, ~s)
1 gesprek onder vier ogen => onderonsje
te·tra (de ~ (m.))
1 [scheik.] tetrachloorkoolstof
te·tra·chloor·kool·stof (de ~)
1 [scheik.] kleurloze, niet-brandbare vloeistof die bereid wordt door het chloreren van methaan en dienst doet als oplosmiddel voor vetten, harsen enz.
te·tra·cy·cli·ne (het ~)
1 bepaald antibioticum
te·tra·ë·der (de ~ (m.), ~s)
1 [wisk.] door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
te·tra-ethyl·lood (het ~)
1 [scheik.] giftige vloeistof die alleen in organische oplosmiddelen oplosbaar is
te·tra·go·naal (bn.)
1 vierhoekig
te·tra·lo·gie (de ~ (v.), ~ën)
1 serie van vier bij elkaar horende drama's
te·tra·po·de (de ~ (m.), ~n)
1 [biol.] viervoeter
te·trarch (de ~ (m.), ~en)
1 viervorst
tet·te·ren (onov.ww.)
1 [inf.] luid en druk praten
2 [inf.] sterkedrank drinken => zuipen
3 [inf.] muziek maken op blaasinstrumenten
1 [med.] kramp in de ledematen en het gezicht die vooral bij kinderen aanvalsgewijze optreedt
te·ta·nus (de ~ (m.))
1 infectieziekte met spierkrampen en spierstijfheid
2 kramp van een spier
te·ta·nus·se·rum (het ~)
1 serum afkomstig van bepaalde zoogdieren die met tetanusgif zijn behandeld
tê·te-à-tê·te (het ~, ~s)
1 gesprek onder vier ogen => onderonsje
te·tra (de ~ (m.))
1 [scheik.] tetrachloorkoolstof
te·tra·chloor·kool·stof (de ~)
1 [scheik.] kleurloze, niet-brandbare vloeistof die bereid wordt door het chloreren van methaan en dienst doet als oplosmiddel voor vetten, harsen enz.
te·tra·cy·cli·ne (het ~)
1 bepaald antibioticum
te·tra·ë·der (de ~ (m.), ~s)
1 [wisk.] door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
te·tra-ethyl·lood (het ~)
1 [scheik.] giftige vloeistof die alleen in organische oplosmiddelen oplosbaar is
te·tra·go·naal (bn.)
1 vierhoekig
te·tra·lo·gie (de ~ (v.), ~ën)
1 serie van vier bij elkaar horende drama's
te·tra·po·de (de ~ (m.), ~n)
1 [biol.] viervoeter
te·trarch (de ~ (m.), ~en)
1 viervorst
tet·te·ren (onov.ww.)
1 [inf.] luid en druk praten
2 [inf.] sterkedrank drinken => zuipen
3 [inf.] muziek maken op blaasinstrumenten



ad: 
