JPV
Legacy Member
Enkele dagen geleden was hier een discussie waarin iemand (naam doet er op zich niet toe) zei dat Unia een slechte verliezer was in de hoofddoekendiscussie. Had weinig zin om er toen ferm op door te bomen, maar vandaag 2 analyses van uitspraken (door KU Leuven afdeling arbeidsrecht, dus alvast met een betere reputatie/expertise op dit vlak dan een poster hier of een gemiddelde politicus). Direct ook maar een aparte topic hierover, omdat er wss toch nog gediscussieerd zal worden.
Bron van de persoon in kwestie waren uitspraken van Zuhal Demir
Zuhal Demir over hoofddoekverbod op het werk: "Unia is slechte verliezer" | Binnenland | De Morgen
[h5]HvJ 14 maart 2017, nr. C-157/15, S. Achbita, Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding / G4S Secure Solutions NV[/h][FONT="]Prejudiciële verwijzing – sociale politiek – Richtlijn 2000/78/EG – gelijke behandeling – discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging – arbeidsreglement van een onderneming dat werknemers verbiedt om zichtbare politieke, filosofische of religieuze tekens te dragen op het werk – directe discriminatie – geen – indirecte discriminatie – verbod voor een werkneemster om een islamitische hoofddoek te dragen [/FONT]
[FONT="]Mevrouw Achbita trad op 12 februari 2003 voor onbepaalde duur als receptioniste in dienst van G4S. In april 2006 deelde zij haar superieuren mee dat ze voortaan de islamitische hoofddoek wenste te dragen tijdens de kantooruren. Vervolgens liet G4S de ondernemingsraad een aanpassing van het arbeidsreglement goedkeuren met ingang van 13 juni 2006. De nieuwe regel luidde als volgt: “het is aan de werknemers verboden om op de werkplaats zichtbare tekens te dragen van hun politieke, filosofische of religieuze overtuigingen en/of elk ritueel dat daaruit voortvloeit te manifesteren”. Op 12 juni 2006 ontsloeg G4S Achbita wegens haar voornemen de islamitische hoofddoek te dragen, met uitbetaling van een verbrekingsvergoeding van drie maanden.[/FONT]
[FONT="]In eerste instantie stelt het Hof van Justitie met verwijzing naar het EVRM, dat de vrijheid van godsdienst ook de uitdrukking van religieuze overtuigingen en het onderhoud van geboden en voorschriften omvat. Het dragen van een religieuze hoofddoek valt dus zonder meer onder de vrijheid van godsdienst. Niettemin houdt een hoofdoekenverbod volgens het Hof van Justitie geen directe discriminatie op basis van godsdienst in. Het Hof redeneert dat de in het arbeidsreglement ingevoerde regel alle werknemers van de onderneming op dezelfde wijze behandelt door hen op algemene en niet-gedifferentieerde wijze verplicht zich neutraal te kleden. Een niet-gedifferentieerde regel kan geen directe discriminatie inhouden, zo stelt het Hof.[/FONT]
[FONT="]Nochtans zou de ogenschijnlijk neutrale bepaling in feite tot gevolg kunnen hebben dat personen met een bepaalde geloofsovertuiging hierdoor bijzonder benadeeld worden. Een dergelijke indirecte discriminatie kan door een legitiem doel gerechtvaardigd worden. De wil van een onderneming om in relaties met klanten blijk te geven van politieke, filosofische en religieuze neutraliteit, is volgens het Hof een legitiem doel. Dit blijkt, nog steeds volgens het Hof van Justitie, uit de vrijheid van ondernemerschap zoals opgenomen in artikel 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het neutraliteitsbeleid moet evenwel daadwerkelijk coherent en systematisch worden nagestreefd. De verwijzende rechter moet nagaan of G4S vóór het ontslag van Achbita een algemeen en niet-gedifferentieerd beleid had vastgesteld op grond waarvan het haar personeelsleden die in contact stonden met de klant, verboden was tekens van politieke, filosofische of religieuze overtuigingen zichtbaar te dragen. [/FONT]
[FONT="]Of een verbod proportioneel met het doel (neutraliteit) is, hangt af van de vraag of het verbod coherent en systematisch wordt toepast voor de werknemers die in contact met klanten staan. Omwille van deze proportionaliteitstoets, moet de Belgische rechter nagaan of G4S, rekening houdend met de beperkingen die inherent zijn aan de onderneming, mevrouw Achbita een arbeidsplaats had kunnen aanbieden waarbij er geen visueel contact bestond met de klant, in plaats van haar te ontslaan. Tenzij G4S een dergelijke arbeidsplaats had kunnen aanbieden zonder extra last, is er geen sprake van indirecte discriminatie op basis van religie. (Piet Van den Bergh)[/FONT]
[FONT="]Volledige tekst van het arrest [/FONT]
[FONT="] [/FONT]
[h=5]HvJ 14 maart 2017, nr. C-188/15, A. Bougnaoui en Association de défense des droits de l’homme (ADDH) / Micropole SA, voorheen Micropole Univers SA[/h][FONT="]Prejudiciële verwijzing – sociale politiek – Richtlijn 2000/78/EG – gelijke behandeling – discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging – wezenlijk en bepalend beroepsvereiste – begrip – wens van een klant dat de diensten niet worden verleend door een werkneemster die een islamitische hoofddoek draagt [/FONT]
[FONT="]Ook in deze zaak werd een werkneemster, mevrouw Bougnaoui, ontslagen omwille van een hoofddoek. In tegenstelling tot de vorige zaak had haar werkgever, Micropole, geen duidelijke interne regel die het dragen van zichtbare tekenen van een politieke, filosofische of godsdienstige overtuiging verbood. Het ontslag kwam er nadat een klant had aangegeven niet langer een beroep te willen doen op een projectingenieur van Micropole die een hoofddoek droeg, in casu mevrouw Bougnaoui.[/FONT]
[FONT="]Het Hof van Justitie stelt dat zonder een duidelijke interne regel op bedrijfsniveau die het dragen van zichtbare tekenen verbiedt, de ongelijke behandeling van werknemers met een bepaalde geloofsovertuiging overeenkomstig Richtlijn 2008/78 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep slechts gerechtvaardigd kan worden door een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste. Het Hof van Justitie behandelt de ontslagbeslissing in deze zaak dus als een direct onderscheid.[/FONT]
[FONT="]Op basis van de overwegingen bij de richtlijn, stelt het Hof dat slechts in een zeer beperkt aantal omstandigheden een kenmerk dat verband houdt met godsdienst een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste kan vormen. Bovendien moet een dergelijke vereiste verband houden met de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd. Het moet gaan om objectieve vereisten, ingegeven door de aard van de betrokken beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgevoerd. Subjectieve overwegingen, zoals de wil van de werkgever om rekening te houden met de bijzondere wensen van de klant, kunnen niet onder het begrip wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vallen. In een zaak als deze, kunnen de wensen van een klant om de diensten van de werkgever niet langer te laten verrichten door een werkneemster met een hoofddoek, geen wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormen. Het ontslag van mevrouw Bougnaoui was dus in strijd met de Richtlijn 2008/78. (Piet Van den Bergh)[/FONT]
[FONT="]Volledige tekst van het arrest [/FONT]
Beide stukken tekst afkomstig van Nieuwsbrief arbeidsrecht – Instituut voor arbeidsrecht
Is Unia na het lezen van dti alles nog altijd een slechte verliezer door dit te posten: Zaak Achbita: duidelijkheid over hoofddoekenverbod op de werkvloer | Unia
Ik zou het ernstig durven betwisten...
Bron van de persoon in kwestie waren uitspraken van Zuhal Demir
Zuhal Demir over hoofddoekverbod op het werk: "Unia is slechte verliezer" | Binnenland | De Morgen
[h5]HvJ 14 maart 2017, nr. C-157/15, S. Achbita, Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding / G4S Secure Solutions NV[/h][FONT="]Prejudiciële verwijzing – sociale politiek – Richtlijn 2000/78/EG – gelijke behandeling – discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging – arbeidsreglement van een onderneming dat werknemers verbiedt om zichtbare politieke, filosofische of religieuze tekens te dragen op het werk – directe discriminatie – geen – indirecte discriminatie – verbod voor een werkneemster om een islamitische hoofddoek te dragen [/FONT]
[FONT="]Mevrouw Achbita trad op 12 februari 2003 voor onbepaalde duur als receptioniste in dienst van G4S. In april 2006 deelde zij haar superieuren mee dat ze voortaan de islamitische hoofddoek wenste te dragen tijdens de kantooruren. Vervolgens liet G4S de ondernemingsraad een aanpassing van het arbeidsreglement goedkeuren met ingang van 13 juni 2006. De nieuwe regel luidde als volgt: “het is aan de werknemers verboden om op de werkplaats zichtbare tekens te dragen van hun politieke, filosofische of religieuze overtuigingen en/of elk ritueel dat daaruit voortvloeit te manifesteren”. Op 12 juni 2006 ontsloeg G4S Achbita wegens haar voornemen de islamitische hoofddoek te dragen, met uitbetaling van een verbrekingsvergoeding van drie maanden.[/FONT]
[FONT="]In eerste instantie stelt het Hof van Justitie met verwijzing naar het EVRM, dat de vrijheid van godsdienst ook de uitdrukking van religieuze overtuigingen en het onderhoud van geboden en voorschriften omvat. Het dragen van een religieuze hoofddoek valt dus zonder meer onder de vrijheid van godsdienst. Niettemin houdt een hoofdoekenverbod volgens het Hof van Justitie geen directe discriminatie op basis van godsdienst in. Het Hof redeneert dat de in het arbeidsreglement ingevoerde regel alle werknemers van de onderneming op dezelfde wijze behandelt door hen op algemene en niet-gedifferentieerde wijze verplicht zich neutraal te kleden. Een niet-gedifferentieerde regel kan geen directe discriminatie inhouden, zo stelt het Hof.[/FONT]
[FONT="]Nochtans zou de ogenschijnlijk neutrale bepaling in feite tot gevolg kunnen hebben dat personen met een bepaalde geloofsovertuiging hierdoor bijzonder benadeeld worden. Een dergelijke indirecte discriminatie kan door een legitiem doel gerechtvaardigd worden. De wil van een onderneming om in relaties met klanten blijk te geven van politieke, filosofische en religieuze neutraliteit, is volgens het Hof een legitiem doel. Dit blijkt, nog steeds volgens het Hof van Justitie, uit de vrijheid van ondernemerschap zoals opgenomen in artikel 16 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het neutraliteitsbeleid moet evenwel daadwerkelijk coherent en systematisch worden nagestreefd. De verwijzende rechter moet nagaan of G4S vóór het ontslag van Achbita een algemeen en niet-gedifferentieerd beleid had vastgesteld op grond waarvan het haar personeelsleden die in contact stonden met de klant, verboden was tekens van politieke, filosofische of religieuze overtuigingen zichtbaar te dragen. [/FONT]
[FONT="]Of een verbod proportioneel met het doel (neutraliteit) is, hangt af van de vraag of het verbod coherent en systematisch wordt toepast voor de werknemers die in contact met klanten staan. Omwille van deze proportionaliteitstoets, moet de Belgische rechter nagaan of G4S, rekening houdend met de beperkingen die inherent zijn aan de onderneming, mevrouw Achbita een arbeidsplaats had kunnen aanbieden waarbij er geen visueel contact bestond met de klant, in plaats van haar te ontslaan. Tenzij G4S een dergelijke arbeidsplaats had kunnen aanbieden zonder extra last, is er geen sprake van indirecte discriminatie op basis van religie. (Piet Van den Bergh)[/FONT]
[FONT="]Volledige tekst van het arrest [/FONT]
[FONT="] [/FONT]
[h=5]HvJ 14 maart 2017, nr. C-188/15, A. Bougnaoui en Association de défense des droits de l’homme (ADDH) / Micropole SA, voorheen Micropole Univers SA[/h][FONT="]Prejudiciële verwijzing – sociale politiek – Richtlijn 2000/78/EG – gelijke behandeling – discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging – wezenlijk en bepalend beroepsvereiste – begrip – wens van een klant dat de diensten niet worden verleend door een werkneemster die een islamitische hoofddoek draagt [/FONT]
[FONT="]Ook in deze zaak werd een werkneemster, mevrouw Bougnaoui, ontslagen omwille van een hoofddoek. In tegenstelling tot de vorige zaak had haar werkgever, Micropole, geen duidelijke interne regel die het dragen van zichtbare tekenen van een politieke, filosofische of godsdienstige overtuiging verbood. Het ontslag kwam er nadat een klant had aangegeven niet langer een beroep te willen doen op een projectingenieur van Micropole die een hoofddoek droeg, in casu mevrouw Bougnaoui.[/FONT]
[FONT="]Het Hof van Justitie stelt dat zonder een duidelijke interne regel op bedrijfsniveau die het dragen van zichtbare tekenen verbiedt, de ongelijke behandeling van werknemers met een bepaalde geloofsovertuiging overeenkomstig Richtlijn 2008/78 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep slechts gerechtvaardigd kan worden door een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste. Het Hof van Justitie behandelt de ontslagbeslissing in deze zaak dus als een direct onderscheid.[/FONT]
[FONT="]Op basis van de overwegingen bij de richtlijn, stelt het Hof dat slechts in een zeer beperkt aantal omstandigheden een kenmerk dat verband houdt met godsdienst een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste kan vormen. Bovendien moet een dergelijke vereiste verband houden met de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd. Het moet gaan om objectieve vereisten, ingegeven door de aard van de betrokken beroepsactiviteit of de context waarin deze wordt uitgevoerd. Subjectieve overwegingen, zoals de wil van de werkgever om rekening te houden met de bijzondere wensen van de klant, kunnen niet onder het begrip wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vallen. In een zaak als deze, kunnen de wensen van een klant om de diensten van de werkgever niet langer te laten verrichten door een werkneemster met een hoofddoek, geen wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormen. Het ontslag van mevrouw Bougnaoui was dus in strijd met de Richtlijn 2008/78. (Piet Van den Bergh)[/FONT]
[FONT="]Volledige tekst van het arrest [/FONT]
Beide stukken tekst afkomstig van Nieuwsbrief arbeidsrecht – Instituut voor arbeidsrecht
Is Unia na het lezen van dti alles nog altijd een slechte verliezer door dit te posten: Zaak Achbita: duidelijkheid over hoofddoekenverbod op de werkvloer | Unia
Ik zou het ernstig durven betwisten...
