Warning: giant wall of text ahead.
De wortels van de huidige Europese samenleving liggen voor het overgrote merendeel in de middeleeuwen (zeker wat betreft staatsvorming, cultuur, etc.). We hebben weliswaar verwezenlijkingen van andere beschavingen overgenomen (Romeins recht, wiel, schrift, astronomie etc.), maar er valt geen continue lijn te trekken van Griekenland of Rome (om van Egypte of Mesopotamië nog maar te zwijgen) tot het Europa van vandaag de dag.
Verder was het allesbehalve voorbestemd dat Europa ooit een hegemonische positie zou vervullen op wereldvlak of dat Europa de rest van de wereld zou gaan koloniseren. Gedurende het grootste deel van de middeleeuwen (tot pakweg het jaar 1000) was Europa in vergelijking met de geavanceerde moslim- en Aziatische rijken eerder een achtergesteld gebied.
Met de kruistochten (vanaf de 2de helft van de 11de eeuw) kwam daar voor het eerst verandering in doordat (als een onvoorzien gevolg) de markten van de Levant werden opengebroken, er nieuwe technologieën Europa binnenkwamen en de handel gestaag toenam, waarbij Italiaanse stadsstaten zoals Pisa maar vooral Genua en Venetië de rol van tussenpersoon gingen vervullen. Goud maar vooral zilver vloeiden hierbij voornamelijk uit Europa weg in ruil voor luxeproducten zoals ivoor, zijde, specerijen, edelstenen etc. De toename van de handel zorgde er echter voor dat de steden groeiden en dat het feodaal productiesysteem (voor zover dat aanwezig was in Europa als geheel, sommige landen kenden een sterk door de feodaliteit beïnvloed productiesysteem terwijl andere landen veel minder) werd aangetast.
Een feodaal productiesysteem kenmerkt zich doordat de 'winst' wordt afgeroomd en niet opnieuw in het productieproces wordt geïnvesteerd (=geen garantie economische groei), er is geen tendens tot innovatie. Een kapitalistisch productiesysteem kenmerkt zich doordat de 'winst' opnieuw in het productieproces wordt geïnvesteerd (=garantie economische groei) en er een tendens is naar innovatie van de productietechnieken. Een feodaal productiesysteem is dus eerder statisch of inert terwijl een kapitalistisch productiesysteem eerder dynamisch en innovatief is.
Tussen pakweg 1150 en 1450 bestond er in de meeste west-Europese landen een productiesysteem dat noch feodaal, noch kapitalistisch was, maar kenmerken van beide in zich verenigde. Vanaf de 15de en 16de eeuw spreekt men van handelskapitalisme (=handel als motor van economische groei). Deze overgang van feodaliteit naar kapitalisme was echter geenszins een eenduidig proces, denk bv. maar aan de tweede feodaliteit in Polen waarbij ongeveer dezelfde omstandigheden als in west-Europa leidden tot een tegenovergestelde uitkomst (versterking feodaliteit i.p.v. verzwakking).
In de 14de eeuw werd deze handel echter bedreigd doordat de Mongoolse veroveringen de stabiliteit van Azië verstoorden (wat de handel in eerste instantie niet ten goede kwam), de instorting van de kruisvaardersstaten en de opkomst van het Ottomaanse Rijk. Het gevolg daarvan was dat de kostprijs sterk steeg en dat dit door de Italiaanse stadsstaten (die nog steeds als tussenpersonen optraden) doorgerekend werd aan de eindafnemer.
Als antwoord daarop probeerden andere landen (vnl. Portugal en Spanje) alternatieve routes te vinden zodat ze de Italiaanse tussenpersonen (en de tussenkost) konden vermijden. Het vinden van een alternatieve route naar Indië was dan ook één van de voornaamste redenen van de ontdekkingsreizen van bijvoorbeeld Hendrik de Zeevaarder, Vasco da Gama en Columbus.
Ondertussen waren de meeste moslim-rijken al een tijdje aan het stagneren: de Seldjoeken waren al ten gevolge van de eerste kruistocht ten onder gegaan, Al-Andalus viel door de Spaanse reconquista, het Fatimiden-kalifaat in Egypte werd eerst vervangen door de Ayubiden en later door de Mamelukken (en werd in de 16de eeuw uiteindelijk veroverd door de Ottomanen), de Mongolen vernietigden het Khwarezm-rijk en Bagdad, ... In het verre Oosten sloten
China en
Japan zich af voor de buitenwereld.
In Amerika troffen de Europese mogendheden (vooral Spanje) in eerste instantie enorme hoeveelheden goud en zilver aan. Deze edele metalen werden nog steeds naar Azië verscheept in ruil voor specerijen, ivoor, porselein etc. (denk maar aan de
Manila-galjoenen) maar werden ook in de Europese economie geïnjecteerd. De
opkomst van Spanje als één van de eerste wereldmachten is niet in het minst hieraan te danken. Het (toentertijd onvoorziene) gevolg was echter dat de inflatie torenhoog werd waardoor de Spaanse economie ineenstortte. Spanje had trouwens ook bijna geen middenstand zoals Engeland die wel kende en die later de drager zou worden van de industriële revolutie.
Na Spanje en Portugal bouwden verschillende andere Europese mogendheden een koloniaal rijk uit (Frankrijk, Engeland, Nederland) maar hier vormden goederen zoals katoen en tabak (en in mindere mate suiker) de belangrijkste economische ruggengraat. Onder impuls van het
mercantilisme werden grondstoffen uit de kolonies naar het moederland gebracht en afgewerkte producten werden dan weer naar de kolonies verscheept (denk bv. aan de
dertien kolonies die later de V.S. zouden worden - zie ook
world systems analysis).
Van de 16de tot de 18de eeuw was handel de motor van de economische groei (handelskapitalisme). Het was echter de Industriële Revolutie die Europa in staat stelde om (mettertijd) daadwerkelijk een
hegemonische positie op wereldvlak te gaan spelen. Er zijn redelijk wat theorieën over waarom die plaatsvond in
Europa (en specifiek in
Groot-Brittannië), maar daar zal ik hier niet te diep op ingaan. Met de industriële revolutie werd de Europese economie in het algemeen naar een hoger vlak getild (handelskapitalisme wordt vervangen door industrieel kapitalisme waarbij industriële productie instaat als motor van economische groei).
Het is pas in deze fase dat Europa het grootste deel van de wereld ging gaan koloniseren (met Groot-Brittannië dat het voortouw neemt). Het is ook pas in deze periode (19de eeuw) dat
China en Japan gedwongen worden om zich open te stellen voor handel en
Afrika in sneltempo gekoloniseerd wordt. Ook niet-Europese landen hadden in deze tijd echter kolonies, denk bv. maar aan Oman (op het Arabisch schiereiland) dat Zanzibar en een stuk van Oost-Afrika beheerste.
Lang heeft deze fase van hegemonie niet geduurd, want al na de eerste wereldoorlog begon dit ernstige barsten te vertonen. Na WOII werden de meeste koloniale rijken ontbonden en werd de Europese hegemonie vervangen door de
bipolaire wereldorde (V.S. en USSR). Gedurende de 2de helft van de 19de maar vooral in de 20ste eeuw werd het industrieel kapitalisme gradueel vervangen door een financieel kapitalisme waarbij vnl. financiële producten (denk aan de beurs) de economische groei moesten verzekeren en niet zozeer industriële productie.
Ondertussen is ook die wereldorde weer vervangen door een
multi-polaire wereldorde. Het "Westen" verliest steeds meer plaats aan andere mogendheden (China, India) en het financieel kapitalisme verkeert onderhand zowat in haar laatste stadium (recente beurscrisis is eigenlijk een infarct van het financieel kapitalisme).
Dit is het ongeveer in héél grote lijnen. Ik ga hier uiteraard veel te kort door de bocht, dat kan ook moeilijk anders met zo'n allesomvattend onderwerp. Eigenlijk volstaat enkel een gedetailleerde en genuanceerde toelichting (ik heb mij hier tot het strikt noodzakelijke beperkt), maar mijn post is nu al lang genoeg vind ik.
