Pierre Bordry, voorzitter van de Franse Raad voor Preventie en Strijd tegen Doping (CPLD), onthulde in Le Monde dat er tijdens de Tour de France 2006 13 positieve dopingcontroles waren. 12 renners gingen evenwel vrijuit dankzij een therapeutisch attest.
Volgens de chef van het CPLD werden 105 renners op 199 deelnemers aan de Tour gecontroleerd tijdens 180 uitgevoerde afnames (149 op urine, 31 op bloed).
"16 afnames (9%) die gelinkt waren aan 13 renners bleken positief", legde de topman uit. In alle 16 de gevallen bleek het om urinemonsters te gaan."
"Behalve het geval van Floyd Landis (positief op testosteron) klasseerde de Internationale Wielerunie (UCI) alle dossiers, omdat het van oordeel is dat al die renners over een therapeutisch voorschrift beschikten waardoor ze in competitie de verboden middelen mogen gebruiken die in hun urine zijn aangetroffen", aldus Bordry.
De CPLD-voorzitter wordt verontrust door het "hoge aantal bezorgde attesten" door de UCI: "60 procent van de 105 gecontroleerde renners hebben dergelijk attest", verzekerde hij. "Het is perfect gerechtvaardigd dat die attesten uitgereikt worden in sporten waarin de beoefenaars bijvoorbeeld ouder zijn, zoals golf of boogschieten, of wanneer ze bedoeld zijn voor mensen met hartproblemen. Maar 60 procent therapeutische voorschriften in de Tour wekt serieuze twijfels op en doet vermoeden dat ze dopingpraktijken verbergen."
Bordry legde ook uit dat er in 2006 minder positieve controles waren in de Tour dan in 2005. Maar hij vroeg zich af "of de controles wel waren aangepast aan de dopingpraktijken". "Er zijn meer en meer affaires en paradoxaal genoeg neemt het aantal positieve controles steeds af (27 % in 2003, 25 % in 2004, 15 % in 2005 en 9 % in 2006), hoewel het aantal controles onohoudelijk stijgt. Vandaag de dag is er nog een groot verschil tussen het controlesysteem en de dopingrealiteit", betreurt hij.