De ene noemt het speculoos, de andere spreekt van speculaas en dat leidt soms al eens tot verhitte discussies over wie het nu precies bij het rechte eind heeft.
Helemaal niet nodig, zo blijkt, want het gaat wel degelijk om twee verschillende lekkernijen. Het ene koekje - speculoos - is oer-Vlaams, het andere -speculaas- is oer-Nederlands. Beide koekjes passen niet alleen prima bij het ontbijt of een kopje geurige koffie, maar lenen zich ook perfect als ingredient en smaakmaker van een heerlijk dessert.
Over het ontstaan van speculoos/speculaas doen de meest onwaarschijnlijke verhalen de ronde. Wat we zeker weten, is dat de speculaas, zoals we die vandaag kennen, in de 17de eeuw voor de eerste keer in Nederland opduikt. De Hollandse koopvaarders brachten kruiden - eigenlijk moeten we van specerijen spreken - als kaneel, gember, peper, kruidnagel, koriander en kardemon mee van hun reizen naar het Verre Oosten. Een inventieve geest mengde een mix van deze specerijen met bloem, boter en suiker, voegde er wat bakzouten aan toe en bakte het mengsel tot een harde, bruine koek in de vorm van een leuk figuurtje. Speculaas - in feite dus een pittige kruidenkoek - was geboren en werd aanvankelijk alleen met Sinterklaas aan de kinderen gegeven. Het eenvoudige recept kon door iedereen in alle lagen van de bevolking worden gemaakt en de kinderen vonden de koek een echte lekkernij.
Vlaanderen heeft nooit een uitgebreide handelsvloot gehad die de zeven wereldzeeen doorkliefde en daar een overvloed aan uitheemse specerijen aan overhield. De Vlaamse bakkers waren dus aangewezen op hun eigen creativiteit. Er werd lange tijd duchtig geexperimenteerd en in de jaren dertig van de vorige eeuw lanceerde Lotus een specifiek eigen koekje dat ook vandaag nog gesmaakt wordt: speculoos. De kleur (bruin), de vorm (een leuk figuurtje) en de knapperigheid deden denken aan de kruidige speculaas. De smaak echter was anders en subtieler dankzij het speciale caramelisatieproces en de toevoeging van een snuifje kaneel