Protocol diagnostiek bij gedrags-en/of emotionele problemen en het vermoeden van een (ontwikkelings)stoornis
Implementatieversie 2014
1
Bijlage 25: Autismespectrumstoornis in DSM-5 (voorlopige Nederlandse vertaling)
Moet voldoen aan de criteria A, B, C en D
A.
Aanhoudende tekorten in sociale communicatie en sociale interactie in meerdere
contexten, zich manifesterend in alle volgende,
momenteel of door geschiedenis
(voorbeelden zijn illustratief, niet exhaustief):
1.
tekorten in de sociaal-emotionele wederkerigheid; variërend van, bijvoorbeeld: abnormale sociale toenadering en het falen in normale heen-en-weer gesprekken tot het verminderddelen van interesses, emoties of affect; tot falen
om sociale interacties te initiëren of beantwoorden
2.
tekorten in non-verbaal communicatieve gedragingen welke gebruikt worden voor sociale interactie; variërend van, bijvoorbeeld: slecht geïntegreerde verbale en non-verbale communicatie tot afwijkingen in oogcontact en
lichaamstaal of tekorten in het begrijpen en gebruiken van gebaren; tot een totaal gebrek aan gezichtsuitdrukkingen en non-verbale communicatie
3.
tekorten in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties; variërend van, bijvoorbeeld: moeilijkheden om gedrag aan te passen aan verschillende sociale contexten tot moeilijkheden in het delen van fantasierijk spel of in het maken van vrienden; tot afwezigheid van interesse in leeftijdsgenoten.
Specifieer huidige ernst: ernst is gebaseerd op beperkingen in sociale communicatie en beperkte, repetitieve patronen van gedrag (zie tabel)
B.
Beperkte, repetitieve patronen van gedrag, interesses of activiteiten zich manifesterend in ten minste twee van
de volgende, momenteel of door geschiedenis (voorbeelden zijn illustratief, niet exhaustief):
1.
stereotiepe of repetitieve motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of spraak, bijvoorbeeld: eenvoudige bewegingsstereotypieën, oplijnen van speelgoed of draaien van voorwerpen, echolalie, idiosyncratische zinnen
2.
aandringen op gelijkheid, inflexibel vasthouden aan routines of geritualiseerde patronen van verbaal of non-verbaal gedrag, bijvoorbeeld: extreme onrust bij kleine veranderingen, moeilijkheden met overgangen, rigide denkpatronen, begroetingsrituelen, nood om dezelfde route te nemen of elke dag hetzelfde voedsel te eten
3.
zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal zijn in intensiteit of focus, bijvoorbeeld: sterke gehechtheid aan of preoccupatie met ongewone voorwerpen, overdreven omschreven of persevererende interesses
4.
hyper-of hypo-reactiviteit op sensorische input of ongewone interesse in zintuiglijke aspecten in de omgeving, bijvoorbeeld: schijnbare onverschilligheid
5,
American Psychiatric Association, Arlington, 2013
Protocol diagnostiek bij gedrags-en/of emotionele problemen en het vermoeden van een (ontwikkelings)stoornis
Implementatieversie 2014
2
voor pijn/temperatuur, vijandige reactie op specifieke geluiden of texturen, overmatige ruiken of aanraken van voorwerpen, fascinatie voor lichten of beweging
Specifieer huidige ernst: ernst is gebaseerd op beperkingen in sociale
communicatie en beperkte, repetitieve patronen van gedrag (zie tabel)
C.
De symptomen moeten aanwezig zijn in de vroege kindertijd (maar kunnen soms
pas merkbaar worden wanneer sociale eisen de beperkte capaciteit overstijgen of
gemaskeerd worden door aangeleerde strategieën in het latere leven)
D.
De symptomen leiden tot klinisch significante beperkingen in het sociaal,
beroepsmatig functioneren of andere belangrijke terreinen van het huidig
functioneren.
E.
De stoornissen worden niet beter verklaard door verstandelijke beperking
(intellectuele ontwikkelingsstoornis) of algemene ontwikkelingsvertraging.
Verstandelijke beperking en ASS komen frequent samen voor. Om comorbide
diagnoses van ASS en verstandelijke handicap te maken, moet de sociale
communicatie lager zijn dan te verwachten voor het algemeen ontwikkelingsniveau.
Noot: Individuen met een bevestigd DSM-IV diagnose van autistische stoornis,
stoornis van Asperger of pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins
omschreven moeten de diagnoses ASS krijgen. Individuen die gemarkeerde tekorten
hebben in sociale communicatie, maar bij wie de symptomen anderszins niet voldoen
aan de criteria voor ASS, moeten geëvalueerd worden voor Sociaal (pragmatische)
Communicatie Stoornis.
Specifieer indien:
- met of zonder begeleidende intellectuele beperkingen
- met of zonder begeleidende beperkingen in de taal
- geassocieerd met een gekende medische of genetische conditie of
omgevingsfactor
- geassocieerd met een andere neuro-ontwikkelingsstoornis, mentale of
gedragsstoornis
- met catatonia