Toen Christoffel Columbus Hispaniola, het eiland waarop Haïti ligt, in 1492 ontdekte werd het bewoond door de Arowakken of, meer specifiek, de Taíno-indianen. In daaropvolgende decennia stierf deze bevolkingsgroep uit door dwangarbeid alsook door ziekten die door de Spaanse kolonisten waren overgebracht naar het Westelijk halfrond.
Bij de Vrede van Rijswijk in 1697 gaf Spanje het bevel over het westelijke deel van Hispaniola over aan Frankrijk, dat het gebied Saint-Domingue noemde. De Fransen legden suikerplantages aan en importeerden vele slaven uit Afrika. Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw werd het land herbevolkt met honderdduizenden slaven, die uit Afrika werden gehaald om -onder erbarmelijke omstandigheden- te werken op de suiker- en koffieplantages. Het werd een van Frankrijks rijkste koloniën. Saint-Domingue produceerde rond 1780 ongeveer 40 procent van alle suiker en 60 procent van alle koffie die in Europa werd gebruikt. De productie van suiker en koffie in de kolonie was groter dan die in de gezamenlijke Britse West-Indische koloniën. Saint-Domingue was in die tijd het welvarendste koloniale bezit van de Europese machthebbers, waardoor het de naam kreeg van De Parel van de Antillen. Kinderen van blanken en slaven vormden een derde bevolkingsgroep, de ********.
Onafhankelijkheid
Gevechten tijdens de Haïtiaanse Revolutie
De Franse Revolutie in 1789 wierp vragen op over de slavernij. Na een slavenopstand in 1791 keerde de bevolking zich tijdens de Haïtiaanse Revolutie tegen het Franse bewind in een opstand die werd geleid door Toussaint Louverture. Tijdens de vrijheidsstrijd, die dertien jaar duurde, versloegen de opstandelingen een door Napoleon gezonden leger en verklaarden zich op 1 januari 1804 onafhankelijk van het Franse moederland. Later dat jaar riep Jean-Jacques Dessalines, die Louverture na 1802 had vervangen als leider van de rebellen, zichzelf uit tot keizer Jacob I van Haïti nadat hij ook de naam van het gebied, Saint-Domingue, had gewijzigd in "Haïti". Uit haat tegen de Fransen liet hij alle nog in Haïti aanwezige blanken vermoorden en wettelijk vastleggen dat buitenlanders geen grond mochten bezitten. Door het witte deel uit de vlag van Frankrijk te verwijderen, ontstond de vlag van Haïti.
Na de onafhankelijkheid was er korte tijd sprake van het Keizerrijk Haïti en het Koninkrijk Haïti, waarna het land een republiek werd. De onafhankelijkheid was een doorn in het oog voor de grote imperialistische staten, die hierin een negatief precedent voor hun eigen koloniën zagen. Het zuiden van de VS en slavenkoloniën als Cuba, Jamaica en Brazilië vreesden voor een domino-effect en verbraken de banden en handel met de jonge staat. In 1825 kwamen de Haïtiaanse en de Franse regering tot een overeenkomst waarin werd bepaald dat Haïti aan Frankrijk 150 miljoen francs schadevergoeding moest betalen in ruil voor de officiële erkenning van Haïti. Omdat het de enige manier was om uit hun politieke en economische isolement te geraken, zag het nieuwe land zich verplicht die schuld te erkennen. Santo Domingo, het oostelijke, Spaanssprekende deel van Hispaniola, dat in 1822 door Haïti werd veroverd, maakte zich in 1844 los van het land en werd de Dominicaanse Republiek.
De bevolking van het inmiddels onafhankelijke land raakte al snel verdeeld door verschillende scheidslijnen, zoals die tussen de zwarte bevolking en de halfbloeden, tussen stedelingen en mensen van het platteland, en tussen rijke en arme inwoners. Zowel de zwarten als de ******** eisten de verlaten plantages op. De voormalige slaven verdeelden de grote suikerplantages in kleine delen en werden kleine boertjes. De grote plantages verdwenen en daarmee ook de belangrijkste bron van inkomsten.
Omdat de mensen die bestuurlijke ervaring hadden, vermoord of verbannen waren, was de opbouw van een staatsapparaat vrijwel onmogelijk. Een kleine groep kreeg de macht in handen en profiteerde daar volop van. Bij gebrek aan een sterke macht die het bestuur van de kolonisator kon overnemen, was Haïti kwetsbaar voor gewapende bendes, staatsgrepen en inmenging van buitenaf. Met 22 bewindsveranderingen tussen 1843 en 1915, talloze couppogingen en samenzweringen, maakte Haïti een zware politieke en economische tijd door. Het door sociale, politieke en economische verdeeldheid gekenmerkte land verarmde en de export daalde. De schuld aan Frankrijk werd in 1830 met de helft verlaagd, maar was pas in 1947 volledig afbetaald.
20e en 21e eeuw
Tussen 1915 en 1934 werd Haïti bezet door de Verenigde Staten ter bescherming van de Amerikaanse economische belangen in het land. De Verenigde Staten verplichtten de bevolking om te werken aan een verbetering van de infrastructuur, met name de wegen. Deze corveeplicht maakte de Amerikanen impopulair en toen zij vertrokken werd dit dan ook ervaren als een tweede onafhankelijkheid.
De periode tussen 1934 en 1957 werd gekenmerkt door instabiliteit. De mulattenelite, de negerbevolking en de door de Amerikanen achtergelaten militaire garde probeerden allen invloed te verwerven. Dit leidde tot een snelle opeenvolging van zwakke, corrupte en inefficiënte regimes en presidenten.
Aan deze periode kwam in 1957 een einde met de machtsovername door de Duvaliers. Tussen 1957 en 1986 werd het land geregeerd door achtereenvolgens François Duvalier, ook wel Papa Doc genoemd, en door Jean-Claude Duvalier (Baby Doc). Het regime van Papa Doc wordt in brede kring gezien als een van de meest onderdrukkende en corrupte in de historie. De regimes van vader en zoon Duvalier brachten veel bloedvergieten met zich mee. Hierbij schakelde Duvalier zijn Tonton Macoutes in. Schattingen van het aantal vermoorde Haïtianen lopen op tot 50.000 in de 28 jaar dat de Duvaliers aan de macht waren. Nog los van de vermoedelijk tienduizenden slachtoffers van martelingen en verkrachtingen. De Duvaliers voerden een schrikbewind totdat in 1986 de dictatuur omver werd geworpen. Tussen 1986 en 1990 volgden de militaire staatsgrepen elkaar op.
In 1991 werd Jean-Bertrand Aristide gekozen in een als democratisch beschouwde stemming. Aristide werd echter afgezet op 30 september 1991, amper acht maanden na zijn inauguratie als president. In de jaren na deze coup berustte het gezag bij een militaire junta onder leiding van Raoul Cédras. Na interventie van de Verenigde Staten en enkele andere landen (met steun vanuit de Verenigde Naties) kwam Aristide in 1994 weer aan de macht en in 2000 werd hij herkozen als president. Aristides bewind werd eveneens gekarakteriseerd door corruptie, repressie en interne machtsstrijd. Enkele door Aristide genomen maatregelen, zoals het optrekken van het algemeen minimumloon, hetgeen Westerse bedrijven in Haïti trof, vielen niet in goede aarde bij de Verenigde Staten, Frankrijk en Canada. Kort daarop ontstond er een rebellie waarbij rebellen zeer snel terrein wonnen op de Haïtiaanse ordediensten. Aristide had uit vrees voor een staatsgreep jaren voordien het leger ontbonden, waardoor Haïti enkel een politieapparaat had dat bovendien slechts over één helikopter beschikte. Inmiddels had Aristide een internationale oproep gelanceerd om zo snel mogelijk VN-troepen te sturen. Door interventie van Frankrijk en de Verenigde Staten kwamen deze echter pas aan toen het te laat was en de rebellen Haïti haast volledig in handen hadden. Aristide had de keuze tussen geliquideerd worden of het land te worden uitgevlogen door de Verenigde Staten en koos voor dat laatste. Veel partijgenoten hadden deze keuze niet en werden vermoord of doken onder.
In 2006 werd René Préval gekozen tot president. De VN-vredesmacht genaamd MINUSTAH is nog steeds aanwezig in het land. Het uitoefenen van regeringsmacht is binnen het land - dat geldt als een mislukte staat - echter moeilijk.