Jack zei:
1. According to a 2009 poll, 61% of Americans “always or usually” live paycheck to paycheck, which was up from 49% in 2008 and 43% in 2007.
2. 36% of Americans say that they don’t contribute anything to retirement savings.
3. A staggering 43% of Americans have less than $10,000 saved up for retirement.
4. 24% of American workers say that they have postponed their planned retirement age in the past year.
5. The number of Americans with incomes below the official poverty line rose by about 15% between 2000 and 2006, and by 2008 over 30 million US workers were earning less than $10 per hour.
6. According to Harvard Magazine, 66% of the income growth between 2001 and 2007 went to the top 1% of all Americans.
...
Veel van die statistieken zijn eigenlijk nietszeggend. Ten eerste zijn er veel statistieken die de situatie in 2008-2010 vergelijken met 2000-2007. Maar dat heeft natuurlijk een eenvoudige verklaring: de economische recessie. Recessies waren er ook in alle voorgaande decennium. Dus die statistieken tonen geen trend aan. Ze vergelijken gewoon de top van de conjunctuurcyclisch met de bodem. Dus we mogen statistiek 1,2,3,4,5,8,12,17,19,21,24 schrappen.
Andere statistieken die vrij nutteloos zijn, zijn degenen die armoede vergelijken doorheen de tijd. Armoede lijkt een vrij eenvoudig en voor de hand liggend begrip, maar als ge het exact probeert te definiëren en zeker wanneer ge het meet, wordt het heel wat moeilijker. De definitie van armoede verandert doorheen de tijd. Eerst was je arm als je geen centrale verwarming had, dan als je geen auto had, dan als je geen internet hebt. De armoedegrens wordt dus geregeld verhoogd. Dat maakt vergelijkingen tussen verschillende jaren, zoals de geciteerde tekst doet, natuurlijk onzinnig. Zo mogen we statistiek 5, 9, 24 negeren.
Dan zijn er nog een hele boel statistieken die groeipercentages meten tussen arm en rijk. maar dat wil ook niets zeggen. Dat geeft enkel informatie over de inkomensongelijkheid, maar dat is slechts een deel van de informatie die nodig is om erover te kunnen oordelen. Daalde de ongelijkheid en werd iedereen armer? Steeg de ongelijkheid en werd iedereen rijker? De focus ligt ook op 'wat doet de rijkste 1% van de bevolking" maar dat wil niets zeggen zonder dat je weet wat de rest van de bevolking deed. Enkel kijken naar relatieve cijfers (in percenten) zonder informatie te geven over de absolute cijfers (in geld) geeft geen volledig beeld. Daarom mogen we statistiek 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 23, 25.
De enige statistieken die dan nog overschieten zijn 20 en 22 en die zijn op zich al vrij onzinnig. Over 20: dat zegt mij ook niets. Waarom zijn service jobs zo slecht? Wat is de evolutie? Over 22: what cambodian workers compete with: well-educated US laborers working with high-tech machinery in a country with a stable government and a fairly well working court system,...
conclusie: economische cijfers geven nooit een volledig beeld maar moeten geïnterpreteerd worden. Welke conclusies uit de cijfers getrokken worden hangt af van de economische theorie die gebruikt wordt bij het interpreteren. Economische statistieken zijn er in overvloed, iemand met een bias kan dus altijd tientallen statistieken selecteren die zijn punt lijken te bewijzen. Een imo betere manier om met economische data om te gaan: kijken naar de achterliggende theorie die gebruikt wordt om cijfers te interpreteren. Wat zijn de causale relaties? Waarom is de gegeven data tot stand gekomen en welke andere verklaringen zijn er mogelijk?