Epyon zei:
Door de financiële en industriële revolutie zijn miljoenen mensen uit de lagere sociale klassen uit de armoede en onleefbare omstandigheden getild.
Zij zijn de grondslag voor de materiele welstand inderdaad ja, maar die is pas goed beginnen neersijpelen na verdeling van die welstand. Het is gekomen door het inzicht dat iemand alleen maar zo rijk kan zijn als iemand anders 'arm'. Tot de late jaren 1800 was er weinig vooruitgang voor de lagere klassen. Hun wereld kreeg een andere kleur en veranderde van mode en stijl, maar het leven tot die jaren bleef voor ze beperkt tot weinig meer dan het kunnen vervullen van basisbehoeften. Ze gingen van het veld naar de fabriek, maar minder werd er niet door ze gewerkt om hetzelfde te krijgen.
Als het volk rijker wordt, krijg je ook meer rijken, en rijken die ook rijker worden. Het is win win, als de balans niet te ver uit mekaar loopt. Ze hebben mekaar nodig. Henry Ford zag goed in dat auto's alleen verkocht kunnen worden aan mensen die het kunnen betalen, en hoe meer mensen dat kunnen, hoe meer profijt, voor iedereen. Zijn lopende band is eigenlijk voor ons beginnen werken, en hij wist goed dat dat concept veel waarde vertegenwoordigt: de waarde van minder menselijke arbeid te moeten gebruiken, omdat een mens in principe meer waardevol is dan welke machine dan ook. Een mens moeten gebruiken om een auto te maken is verspilling. Een machine is dat minder want die is gemaakt dat te doen. Wij maken machines die voor ons werken, en niet omgekeerd. Of, dat zou toch zo moeten zijn.
Maar de industriele en financiele revolutie is niet noodzakelijk voor de uitbanning van armoede en ellende. Erkennen dat een ander er niet is om uit te buiten, maar om te helpen is alles wat nodig is. Armoede en ellende bestaan bijvoorbeeld niet voor hele volkstammen. Bijvoorbeeld, een stam in de Amazone, ik denk niet dat ze zich arm vinden of dat er armen onder hen zijn. Die zijn er voor mekaar, niet tegen mekaar.
Daar heb je helemaal geen nieuwe munt voor nodig. Bovendien zou een eigen munt de dood van je concept zijn. Een dergelijke lokale economie kan onmogelijk in alles zelfvoorzienend zijn en het meeste van haar goederen moeten invoeren uit het 'buitenland', en dus in een andere munt. Hierdoor zou in een mum van tijd alle valuta uit de lokale economie wegvloeien en ze dus failliet zijn.
Een munt ontstaat als een troep mensen overeenkomt dat ze waarden willen kunnen uitwisselen en maken, die nog niet worden erkend door de rest. Ze doen dat omdat ze denken dat ze zo beter zichzelf kunnen voorzien. Afhankelijk zijn van de rest is dan niet de bedoeling. Het is perfect mogelijk volledig op uzelf te staan, het is maar wat je wil.
Die bejaarden uit het voorbeeld krijgen een pensioen, zo kunnen ze toch goederen invoeren uit het 'buitenland'. Een pensioen is een uitkering voor een minder valide, zo wordt een bejaarde gezien. Maar om nu aan te moedigen dat ze voor zichzelf zorgen maken ze een munt die voor die zorg staat. Ze weten dan dat ze nog van dienst kunnen zijn. Ze zullen voor zichzelf moeten zorgen, want als het echt zo is dat er te weinig jeugd voor zal zijn, dan gaan ze dat toch moeten doen. Laat die zolang mogelijk hun plan trekken. Een gepensioneerde moet niet in de zetel gezet worden.
Je spreekt jezelf hier tegen. Enerzijds zeg je dat de rol van de centrale bank geld drukken is, anderzijds ondermijn je het nut van fysisch geld omdat alles nu elektronisch gaat. Als je jouw logica volgt is het nut van de centrale bank steeds minder, niet van de commerciële.
Ik begrijp nog niet goed hoe het juist werkt maar ik zit toch met zo een idee. Iedereen in een land weet dat alleen tastbaar geld van een gemeenschappelijk instituut - de centrale bank - overal en altijd bruikbaar is. Biljetten en munten aanvaardt iedereen en overal, zonder de noodzaak aan een tussenpersoon, wat met elektronisch geld wel nog het geval is.
Mensen die economie gaan bedrijven in een gebied waar nog geen bank is , zullen daar automatisch een bank beginnen. In de veronderstelling dat ze daar waarde gaan scheppen zal ook de noodzaak komen die waarde uit te drukken in extra geld. Ze hebben een bank nodig die geld kan bijmaken, maar alleen geld van de centrale nationale bank is geldig. Ze kunnen een eigen munt uitvinden, maar daarmee lopen ze het risico dat ze zich van de rest uitsluiten, want de nationale bank zal niet gemakkelijk de economische controle over dat gebied zomaar afstaan.
De bank die ze daar dan beginnen is eigenlijk, vind ik, een plaatselijke vertegenwoordiger van de centrale bank. Ze houden bij in de boeken hoeveel geld daar is, maar als de economie daar ter plekke groeit, dan gaat er meer 'echt' geld in circulatie moeten komen. Ze kunnen handelen met wat er in de boeken staat - elektronisch overschrijven - maar dat vereist dat iedereen die boeken aanvaardt. Iedereen moet het kunnen vatten, en dat kan alleen zuiver met getallen, uitgedrukt op biljetten en munten. Geen tussenpersoon, buiten de centrale bank, want het is geld door haar uitgegeven dat gebruikt wordt.
Door het geld, of de munt, te gebruiken van de centrale bank, maakt die plaatselijke bank zich automatisch een vertegenwoordiger daarvan. Een bank is nodig, en geld is nodig, maar commerciele banken zijn niet meer dan lokale substituten. De een is vriendelijker dan de ander, maar bieden eigenlijk allemaal hetzelfde.
In een wereld met zuiver elektronisch geld, dat iedereen kan maken en uitwisselen, vormt het systeem dat dat mogelijk maakt de bank. Als iedereen met iedereen altijd en overal verbonden is over het internet, dan vervalt de centrale controle over geld. Iedereen die in dat systeem stapt legt zijn vertrouwen daarin, en maakt dat geld bruikbaar.
Nu spelen we nog met papieren en metalen geld, en daarnaast geld dat bestaat in de boeken en nog andere vormen, maar eigenlijk gaat het over hetzelfde. Door die veelvoud aan voorstellingen van hetzelfde, is er die verwarrende toestand met centrale en commerciele banken. Maar in de kern is een bank een bank.