De Sandinisten noemden zichzelf naar Augusto César Sandino, een revolutionair die in de jaren 20 en 30 van de twintigste eeuw streed tegen de bezetting van Nicaragua door de Verenigde Staten. Geïnspireerd en gesteund door Cuba, vocht de FSLN aanvankelijk een guerrillaoorlog tegen de dictatuur van de familie Somoza. In 1979 wisten ze de laatste Somoza, Anastasio Somoza Debayle, te verdrijven; deze werd een jaar later in Paraguay vermoord door een voormalig lid van het Argentijnse Revolutionair Volksleger. De Sandinisten namen een land over dat in puin lag, met een schuld van 1,6 miljard Amerikaanse dollar, een geschatte 50.000 oorlogsdoden, 600.000 daklozen en een totaal ontwrichte economische infrastructuur.
Hoewel de meeste prominente leiders, zoals Daniel Ortega, marxist waren, was het nieuwe regeringscomité een breed spectrum aan ideologieën. Nadat ze aan de macht waren gekomen vormden ze een Comité van Nationale Wederopbouw. Hun programma omvatte onder meer:
Nationalisatie van het bezit van de Somozas en hun collaborateurs
Landhervorming
Gelijkheid van man en vrouw
Een van de grootste successen van de revolutie was de alfabetiseringscampagne. Binnen zes maanden werd een half miljoen mensen geleerd te lezen, wat het percentage ongeletterden terugbracht van 50 tot 13. Het grote succes van deze campagne werd beloond door de UNESCO met de toekenning van de Nadezhda Krupskaya International-prijs, genoemd naar de Sovjetpedagoge die Lenins vrouw was.
De Verenigde Staten waren bevreesd dat de Sandinisten een springplank zouden vormen voor het communisme in Latijns-Amerika. Vanaf 1981 steunden de Verenigde Staten de Contra's, een verzameling gewapende groeperingen van verschillende pluimage, die een afkeer van het Sandinistische regime gemeen hadden. De belangrijkste groepering was het FDN, een vanuit Honduras opererende terroristische organisatie die zich tegen zowel militaire als burgerdoelen richtte en grotendeels bestond uit voormalige leden van Somoza's Nationale Garde. Een andere groepering, het in 1983 opgerichte en vanuit Costa Rica opererende ARDE, werd geleid door Edén Pastora, een voormalig Sandinistisch kopstuk die het oneens was met de 'communistische' koers die na de revolutie werd ingeslagen. Onder Pastora's aanhang bevonden zich veel Miskito-Indianen die door de Sandinisten met geweld van hun land waren verjaagd.
In 1982 verklaarde het Amerikaanse Congres dat de contra's terroristen waren en dat de VS ze daardoor niet zouden moeten steunen, maar president Ronald Reagan bleef clandestien toch hulp sturen aan de contra's. Dit leidde o.a. tot het Iran-contra-schandaal.
Ondanks de successen van de Sandinisten was er kritiek op de mensenrechtensituatie. De vrijheid van godsdienst zou worden geschonden en er werd getracht de Indianen te dwingen hun traditionele levensstijl op te geven. Een schaduwzijde van het onderwijs waren de gebruikte methodes; kinderen leerden tellen met behulp van plaatjes met daarop geweren en handgranaten.