JPV zei:
Dat een man het moet zeggen, maar: de emancipering is duidelijk nog niet ver genoeg doorgedrongen...
En 15 jaar geleden stond dit in het leerplan, want héél veel mensen kregen het vroeger. Ik heb zelf ook haken gekregen van een man. En bij mijn weten was dat nogal een straffe voetballer, die keihard z'n mannetje staat.
Bij mijn weten ben ik ook nog altijd een "echte" man, ook al strijk ik best wel graag en ga ik niet janken als ik moet stofzuigen of dweilen.
Helemaal akkoord maar dat zal niemand verbazen. Bepaalde vaardigheden zijn voor iedereen nuttig. Haken, borduren, breien en punniken vind ik overdreven aangezien je niet zo veel hebt aan die vaardigheid, tenzij iemand mij kan aantonen dat deze vaardigheden beter zijn voor de motorische ontwikkeling dan realistische alternatieven die meer practisch nut hebben.
Oefenen in het herstellen van kleding is voor de meeste mensen nuttig dus dat zou wel ieder kind moeten leren wat mij betreft.
Met zo'n argument kom je dus niet ver. Net zoals een vrouwelijke leerkracht evengoed kan inschatten wat al dan niet toelaatbaar is qua gedrag. Néé, "vriendelijk vechten" (contradictio in termini) hoeft niet. Stoeien is daarentegen iets anders. Ben ik geen vent als ik vechtende jongens uit elkaar zou halen op de school waar ik vrijwilligerswerk doe?
Hier ga ik niet mee akkoord, een man zal toch beter kunnen inschatten wat nog toelaatbaar is omdat hij zelf ooit nog een jongen is geweest. Ik vind het ook helemaal niet zo slecht als het eens een keer iets uit de hand loopt, ik verwijs hiervoor naar de link van TS. In de hoop dat iedereen eens deze tekst leest plaats ik hieronder de tekst van Anne Elzinga.
Ook raad ik iedereen aan om eens naar de door mij gelinkte uitzending van Netwerk te kijken waarin leerlingen ZELF aangeven niet tevreden te zijn over de feminisering van het onderwijs, waarin ze zelf aangeven dat ze graag zouden hebben dat de leraar wat strenger is en dat ze graag zouden hebben dat er wat meer mannen voor de klas staan.
Citaat
In groep 3 zijn jongens een jaar achter op de meisjes
Jongens zijn in leren zo anders dan meisjes, dat zij mede door de moderne manier van lesgeven steeds meer achterop raken. Hun brein rijpt trager, evenals de fijne motoriek. Stilzitten, opletten en plannen zijn nu net van die schoolse zaken waarin jongens niet uitblinken. ‘Jongens leren door doen.’ Een pleidooi voor ‘hands on’ onderwijs.
Dat het niet florissant met onze jongens gaat, was Freerk Ykema zo’n tien jaar geleden al opgevallen. Als gymleraar en leerlingbegeleider op een scholengemeenschap in Schagen, zag hij jongens uit de boot vallen. En hij hoorde collega’s klagen over die lastige, onhandelbare knullen die zich ongemotiveerd, luidruchtig en soms zelfs uitgesproken vijandig en agressief door hun schooltijd heen worstelden. ‘Ik vroeg me af wáárom ze zich soms zo misdragen. Waar gaat het verkeerd? En vooral: hoe kunnen we ze helpen om hun eigen weg te vinden op en na school?’ Vanuit die gedachte ontwikkelde Ykema het zogenaamde Rots & Water-programma, waarin jongens door middel van fysieke oefeningen vat leren krijgen op hun energie en hun emoties. Inmiddels reist Ykema de hele wereld rond om zijn programma te promoten en worden in zeven landen Rock & Water-cursussen gegeven.
Waar gaat het verkeerd?
‘Het onderwijs houdt onvoldoende rekening met de biologische en neurologische verschillen tussen jongens en meisjes. Daarvan zijn vooral jongens de dupe,’ vindt Ykema. De problemen zijn vaak het duidelijkst op de middelbare school, maar de basis wordt in groep 3 gelegd. Doordat hun brein minder snel rijpt (zie het artikel op pagina 24), beginnen jongens hun schoolloopbaan al met een fikse achterstand. Op hun zesde lopen ze één tot anderhalf jaar achter op de meisjes uit hun klas. Vooral verbaal zijn zij minder ver. Vaak zijn ze dan ook nog helemaal niet aan lezen toe. Toch moeten ze mee in de AVI-leesmethode. Hetzelfde geldt voor spreekbeurten en voorzitterskringen. En hoewel hun fijne motoriek zich langzamer ontwikkelt, ontkomen ook zij niet aan de plicht tot ‘schoonschrijven’.
Stilzitten, opletten en doen wat de leerkracht zegt: het zijn noodzakelijke schoolse vaardigheden, maar nou net niet de dingen waarin jongens uitblinken. Ykema: ‘Ze hebben last van hun hormonen: de testosteron (en de adrenaline) giert door hun lichaam. Ze moeten leren omgaan met hun energie en dat leren ze niet door stil te zitten. Daarom ook is hun concentratieboog korter en moeten ze zich af en toe kunnen uitleven.’ Helaas zijn juist van het gymonderwijs de afgelopen jaren heel wat uurtjes afgeknabbeld.
Jongens leren door te doen. ‘Hands-on’ onderwijs, waarbij niet gepraat maar vooral gedaan wordt, is voor hen heel leerzaam. Soms lijkt dat nergens toe te leiden. Psychologe Martine Delfos beschrijft een scène uit een Belgische documentaire waarbij kleuters zelf iets met klei mogen doen. De meisjes maken er keurige figuurtjes van; de jongetjes kneden de klei, prikken erin en smeren het over de tafel. Commentaar van de voice-over: ‘De meisjes zetten zich aan het werk, de jongens komen er maar niet toe.’ Verkeerd gezien, aldus Delfos, want als later iets in huis stuk gaat, kan een man bedenken dat klei misschien uitkomst kan bieden, omdat hij vroeger de functies ervan heeft onderzocht. Vrouwen kunnen er alleen poppetjes mee maken. Wat op slopen en troep maken lijkt, is in feite experimenteren en onderzoeken.
Grenzen opzoeken
Jongens hebben uitdaging nodig. Ze zoeken daarbij steeds de grenzen op en ja, soms gaat er daarbij iets mis en trappen ze net iets te hard. Lastig misschien, maar wel een natuurlijke uiting van hun exploratie-drang.
Een klacht van leerkrachten is dat jongens niet willen luisteren. Maar ook daar kunnen ze lang niet altijd iets aan doen. Onderzoek van de Australiër Ken Rowe (Universiteit van Melbourne) heeft aangetoond dat jongens gesproken taal twee maal minder lang in de hersenen kunnen vasthouden dan meisjes. Dat betekent dat zij verbale informatie minder goed verwerken en er meer moeite mee hebben de leerkracht te volgen als die vooral via het gesproken woord doceert.
En dan die ruzies en vechtpartijtjes op het schoolplein. Het lijkt of ze elkaar continu in de haren vliegen en dat is ook zo. Jongens zijn steeds bezig met het vaststellen van de pikorde: wie is het sterkst, het snelst en wie kan het verst spugen? Als ze jong zijn, gaat het vooral om fysieke kracht, later meer om intellectueel overwicht. Is de pikorde eenmaal vastgesteld, dan komt er rust. De hierarchie is duidelijk en dat geeft een veilig gevoel. Maar de orde moet wel steeds opnieuw worden vastgesteld. Vandaar al die blauwe plekken in de pauzes.
School is voor meisjes
Onder invloed van de emancipatiebeweging werd het onderwijs de afgelopen decennia steeds vrouwvriendelijker. Het moderne onderwijs draait om communicatie, taalvaardigheid, samenwerken en ijver. Er wordt niet alleen in de kring heel wat afgepraat, maar ze moeten bij de verschillende vakken ook veel lezen en verwoorden. ‘Natuurlijk is niemand tegen die vooruitgang van meisjes, maar we moeten wel oppassen dat we de jongens niet uit het oog verliezen,’ vindt Ykema. En dat dreigt wel te gebeuren nu juist de kwaliteiten waarin jongens uitblinken: onderzoeken, oplossingen vinden, creativiteit en sporten, steeds minder belangrijk lijken te worden op school. Tot voor kort was Ykema een roepende in de woestijn. Het was tot ver in de jaren negentig niet politiek correct om te erkennen dat de emancipatie mogelijk negatieve gevolgen had voor jongens. ‘Je mocht de verschillen tussen jongens en meisjes vooral niet te veel benadrukken. Hardnekkig hielden we vol dat, áls ze al anders waren, dat kwam door opvoeding en socialisatie. Terwijl elke ouder weet dat dat niet zo is!’
Dit alles kan niet zonder gevolgen blijven. Alhoewel dat nog niet blijkt uit de Cito-scores - dit jaar scoorden jongens opnieuw iets hoger dan meisjes - zou het jongensdeskundige Lauk Woltring niets verbazen als dat op den duur wel het geval zou zijn. Maar wat hem meer zorgen baart, is ‘dat de houding van jongens tegenover school en leren steeds vijandiger wordt.’ En dát blijkt wel uit cijfers. Jongens zijn negatiever over het nut van school en huiswerk dan meisjes. Ze voelen zich er minder prettig. Hun werkhouding en sociaal gedrag worden door docenten aanmerkelijk ongunstiger beoordeeld. Meiden zijn de norm geworden; hun gedrag wordt beloond. Logisch, want een klas vol gehoorzame, ijverige meisjes is beter te managen dan een lokaal vol overactieve jongens. ‘Al heel jong krijgen knullen zo het gevoel dat school voor meisjes is en dat zij er te dom voor zijn,’ weet Ykema ook uit eigen ervaring. Tel daarbij op dat hun lastige gedrag veel negatieve reacties uitlokt van de docent en het is duidelijk dat school niet altijd hun beste vriend is. Met alle kwalijke gevolgen van dien. ‘Want wat doet een jongen die zich ondergewaardeerd voelt? Die gaat klieren, negatieve aandacht vragen. Want een meisje dat niet lekker in haar vel zit, is vooral lastig voor zichzelf, maar een jongen wordt een lastpak voor anderen,’ aldus Ykema.
Erken de verschillen
‘Alleen door de verschillen te begrijpen en te erkennen, wordt school ook een veilige plek voor jongens,’ bepleit Ykema. Er gaan zelfs al stemmen op om weer aparte jongens- en meisjesscholen op te richten. In Engeland maakt voormalig feministe Fay Weldon zich daar hard voor. Volgens haar zijn jongens bij een ander type onderwijs gebaat dan meisjes. Terwijl jongens het best functioneren in crisissituaties waarin ze in één keer een hele hoop werk moeten verzetten (bijvoorbeeld een eenmalige grote toets), floreren meiden bij een constante stroom werk het gehele jaar door (meerdere toets*momenten). Anderen gaat het strikte
single sex-onderwijs te ver. Die zien meer in tussenvormen als de Cotswold-methode, waarbij sommige vakken in aparte jongens- en meisjesklassen worden gegeven. Of zij vinden dat jongens een half jaar of een jaar later met leren zouden moeten beginnen. Sommigen gaan voor een intensief mentorsysteem: elke leerling krijgt een mentor toegewezen die hem gedurende zijn hele schooltijd begeleidt en waaraan de leerling zich kan optrekken.
Freerk Ykema is vooral enthousiast over die laatste variant. Want volgens hem is het hoog tijd voor meer blauwe tinten in de klas.
De cijfers liegen er niet om
• Jongens zakken vaker af naar een lagere vorm van onderwijs.
• Jongens blijven vaker zitten dan meisjes. Van de meisjes haalt 67 procent haar diploma zonder doublures; van de jongens maar 48 procent.
• Twee keer zoveel jongens als meisjes halen hun einddiploma niet.
• Meer dan drie keer zoveel jongens worden van school gestuurd of geschorst.
• In het Speciaal Onderwijs zijn twee op de drie leerlingen jongens.
• Sinds 1999 worden de universiteiten en hogescholen meer door meisjes dan door jongens bevolkt.
• In de basisschoolperiode vechten en pesten jongens aanzienlijk vaker dan meisjes: 59 procent tegenover 21 procent vecht en 47 procent tegenover 32 procent pest.
Meer actief onderwijs
Onderwijspedagoog Monique Volman ergert zich aan de redenering van Ykema en anderen. Volgens haar is er 1) geen jongensprobleem en 2) kun je dat al helemaal niet toeschrijven aan de feminisering van het onderwijs. Volman stelt dat jongens het op een aantal punten weliswaar minder goed doen dan meisjes, maar dat dat al jaren het geval is. En inderdaad is er in het onderwijs steeds meer aandacht gekomen voor waarden als samenwerken en communicatie. Maar dat komt niet doordat er nu een vrouw voor de klas staat. De moderne maatschappij vereist deze vaardigheden. Het past ‘in een ontwikkeling naar meer actief en levensecht onderwijs, waarbij kinderen de wereld verkennen, daarbij problemen tegenkomen en al zoekend naar oplossingen kennis en vaardigheden opdoen. Steeds meer leerkrachten slagen er juist met dit soort onderwijsvormen in om jongens die eigenlijk alleen maar klei tegen het plafond willen gooien, uit te dagen om nieuwe kwaliteiten te ontwikkelen (….) Niet feminien, niet masculien, gewoon goed onderwijs, ingegeven door leertheorieën en vakdicactiek.’
Uit het artikel: M.L.L. Volman, Jongensproblemen, in het wetenschappelijke tijdschrift Pedagogiek; wetenschappelijk forum voor opvoeding, onderwijs en vorming (nog te verschijnen).
Zo houd je jongens bij de les
- Geef ze meer ruimte om te bewegen en 'hands-on' te leren.
- Introduceer puzzels, quizzen en wedstrijdjes om aan te sluiten bij hun natuurlijke nieuwsgierigheid
- Leg bij elke les het onderliggende doel en de directe zin uit. Jongens willen weten waarvoor ze het doen.
- Zorg voor duidelijke en eerlijke regels en handhaaf die. Niets is vervelender en bedreigender dan regels die steeds veranderen.
- Schrijf op het bord en gebruik plaatjes of ander materiaal ter ondersteuning.
- Help ze met het maken van een planning bij huiswerk of andere opdrachten. Vertel hoe ze het aan moeten pakken en hoeveel tijd elk onderdeel ongeveer zal kosten. Veel jongens overschatten hun eigen capaciteiten en onderschatten de tijd en energie die nodig is.
- Spreek met korte zinnen en check of ze het gesnapt hebben.
- Ga iets doen met jongens om ze aan het praten te krijgen over dingen die ze bezig houdt.
- Haal positieve rolmodellen in school waar ook de jongens een voorbeeld aan kunnen nemen. Bron: Rots en Water, Freerk Ykema
De school als mevrouw
Of de oververtegenwoordiging van vrouwelijke leerkrachten, in het basisonderwijs is 75 procent van het team vrouw, een slechte invloed heeft op jongens, is niet helemaal duidelijk: deskundigen spreken elkaar tegen. Sommigen menen dat jongens minder tot hun recht komen door het ontbreken van mannelijke rolmodellen en de overheersing van vrouwelijke waarden in het klaslokaal. Recent Vlaams onderzoek toont echter aan dat het voor de leerprestaties van jongens en meisjes in het voortgezet onderwijs niets uitmaakt of er een juf of een meester voor de klas staat. Onderzoekster Jessy Siongers verwacht dat de impact in het basisonderwijs weliswaar groter zou kunnen zijn, maar dat het ook daar weinig uit zal maken: mannelijke en vrouwelijke leerkrachten lijken meer op elkaar dan dat ze verschillen. Daarentegen toonde een eerdere studie van de Universi-teit van Gent voor het primair onderwijs aan dat jongens meer stress ervaren, minder gemotiveerd en betrokken zijn en zich minder thuis voelen op school naarmate het percentage vrouwelijke leerkrachten toeneemt. Toekomstige leerkrachten zelf zijn niet zo blij met de vervrouwelijking in het onderwijs, blijkt uit een enquête van de Algemene Onderwijsbond. Overigens geloven zij niet dat het invloed heeft op de kwaliteit van het onderwijs.