Visitatie Rechtsgeleerdheid
Mondelinge toelichting van de visitatiecoördinator-programmadirecteur Rechten KULeuven bij het eindrapport 2005-2006.20 november 2006
Geachte Voorzitter, Geachte leden van de visitatiecommissie, dames en heren,
Een inmiddels gestorven goede kennis van mij moest halverwege de jaren ’50 een mondeling examen afleggen met schriftelijke voorbereiding. Hij was daarbij getuige van het volgende incident. Twee studenten voor hem werden samen bij de hoogleraar geroepen, de éne had een lange schriftelijke voorbereiding waarvan het lezen ettelijke minuten
kostte, de andere had een systematisch gestructureerde voorbereiding waarvan het overlopen binnen de minuut kon gebeuren. De professor zei hoorbaar voor de rest van het auditorium tegen de eerste student: gij denkt zeker dat ge het al weet, ge krijgt 12. En de tweede student beet hij toe: gij zijt bondig, gij krijgt 16.
De hoogleraar in kwestie had zijn vergelijkende quotering kortaf gemotiveerd. Maar al wie vandaag hoogleraar is, weet dat deze motivering tot een discussie voor de Raad voor Examenbetwistingen kan leiden, en uiteindelijk tot een aanvechting voor de Raad van State.
Ik gebruik dit voorbeeld om bij U aan te kaarten dat punten opnieuw belangrijk zijn van-daag. Inderdaad, opnieuw: tierden de erekaarten en eerste prijzen welig in de jaren ’50, dan heeft men geprobeerd in de jaren ’60 en ’70 om de competitiviteit uit de geesten te bannen. Vandaag treedt ze meer dan ooit op het voorplan, die competitiviteit. Van alles worden rankings gemaakt: voetballers, politici, advocaten, professoren en ja, ook van universiteiten. De tijd is niet ver meer af dat ook rechtbanken een ranking zullen krijgen.
Punten zijn niet alleen opnieuw belangrijk, ze zijn ook anders belangrijk vandaag. Vroeger was men bescheiden over zijn quotering, nu gebruikt men ze te pas en te onpas. De Europese wetgever en het EVRM stimuleren de reclame, d.i. de zgn. commerciële vrijheid van meningsuiting: alleen de misleidende reclame is verboden, de vergelijkende reclame is voluit toegelaten, zelfs in het vrije beroep, behoudens in uitzonderlijk gevallen. En wie scoort, mag zich dus voluit op zijn score laten voorstaan om daar zijn voordeel mee te doen, zijn financieel voordeel vooral, want geld is nog iets dat opnieuw be-
langrijk is, of misschien wel belangrijker dan ooit.
In die context kan niet voldoende onderlijnd worden dat de toekenning van punten een kwestie is die meer dan vroeger aan het vereiste van due process moet worden onder-worpen. Het niet te onderschatten en steeds toenemend vergelijkend en financieel belang van punten brengt met zich dat de quotering op een voorspelbare, transparante en gemotiveerde wijze moet worden gegeven.
Precies tegen die drievoudige vereiste van een voorspelbare, transparante en behoorlijk gemotiveerde quotering zondigde de hoogleraar in mijn voorbeeld van daarstraks. De vraag is immers of hij zich dit incident mocht veroorloven, alleen omdat hij ervan over-tuigd was over een flinke dosis gezond verstand te beschikken. En het antwoord van
een rechtgeaard jurist op die vraag is uiteraard negatief.
Het is vooral in die hoedanigheid van jurist en bevoorrecht getuige, dat geloof ik toch, dat ik vandaag zou willen tussenkomen, en niet als partijdig deelnemer aan het visitatie-proces, visitatieproces dat op zichzelf voor het Vlaams rechtsonderwijs belangrijk is, en wel vanuit een dubbel oogpunt: niet alleen de uiteindelijk accreditatie hangt af van devisitatiebeoordeling, maar ook de inhoud van de vergelijkende reclameboodschappen
die de faculteiten binnenkort de wereld in zullen sturen.
*
Ik zou daarom met U vijf onderwerpen willen aansnijden die verband houden met de vi-sitatie, en van daaruit vijf verbetersuggesties willen doen aan de VLIR.
Wij hebben van onze kant de verbetersuggesties die de visitatiecommissie ons heeft overgemaakt reeds ter harte genomen, en de meeste daarvan stemden overeen met de zelfkritiek in ons zelfevaluatierapport. Dit geldt niet voor de verbetersuggesties waarvan we reeds in onze Bemerkingen op de eerste versie van het deelrapport zegden dat ze onhaalbaar of inadequaat waren. Zo werden wij bijvoorbeeld door de commissie ge-
vraagd ons monitoraat gedeeltelijk uit te breiden naar het tweede bacca-jaar. Omdat wij die suggestie in geen enkel ander deelrapport terugvonden, nemen we aan dat het gaat om een al te zeer aan een studentikoze opmerking tegemoetkomende reactie van de commissie.
1. Eerste verbetersuggestie aan de VLIR. Betrek in een visitatiecommissie in het geheel geen personen (meer) die aan de te visiteren universiteiten hebben gestudeerd of gedoceerd. In dat opzicht zou het een halve maatregel zijn aan die personen te verbieden deel te nemen aan de actieve visitatiewerkzaamheden in hun eigen ex-faculteit, maar hen toe te laten om deel te nemen aan de beraadslaging. "Independence must be seen to be done".
De garanties van onpartijdigheid die nu reeds bestaan zijn onvoldoende en arbitrair. Laat mij als voorbeeld nemen de lengte van de zgn. "cooling off period" waarna emeriti in de visitatiecommissie mogen zetelen zonder dat ze geacht worden daar de instelling waaraan ze verbonden waren te verdedigen: waarom zou een professor die reeds drie jaar emeritus is meer onthecht zijn dan één die nog maar twee jaar emeritus is ? Ook
zou een meer slagvaardige, d.i. beperkte samenstelling van de commissies met zich brengen dat elk lid zich geresponsabiliseerd zou voelen: de Leuvense faculteit noch de Kortrijkse subfaculteit kregen op gelijk welk moment de voltallige visitatiecommissie te zien.
2. Tweede verbetersuggestie aan de VLIR. Werk een procedure uit die op elk moment rekening houdt met due process in het algemeen en met de rechten van de verdediging in het bijzonder. Nu heeft het visitatieproces veel weg van een rondje verstoppertje spe-len. Op géén van de twee contradictoire momenten, d.i. bij de mededeling van het deelrapport en bij de mededeling van het vergelijkend rapport, krijg je de stukken van de andere faculteiten te zien, terwijl de finale bedoeling toch lijkt een aan iedereen tegenstelbare vergelijking op te stellen.
2
Daarom volgende suggesties:
(i) Schrap de mondelinge rapportering ter plaatse. Zij zet de faculteiten alleen maar op het verkeerde been.
(ii) Deel alle deelrapporten tezelfdertijd aan alle faculteiten mee, zodat zij hun eigen quoteringen kunnen inschatten: nu is het bij de ontvangst van het eigen deelrapport onmogelijk om te weten hoe streng de commissie precies geweest is, en derhalve hoe goed en hoe slecht men het zelf gedaan heeft. Het maakt de reactie die gevraagd wordt tot
een onmogelijke oefening.
(iii) Stel het vergelijkend rapport pas op nadat de faculteiten met kennis van zaken gereageerd hebben op de deelrapporten en nadat deze deelrapporten zijn aangepast aan hun bemerkingen. Verstuur het vergelijkend rapport ter becommentariëring opnieuw sa-
men met alle verbeterde deelrapporten aan alle faculteiten.
3. Derde verbetersuggestie aan de VLIR: never shoot on a moving target. Het voorwerp van de visitatie, zijnde de opleidingen in de rechten, was in oktober 2005 in volle mutatie. De visitatie werd doorgevoerd op een ogenblik dat de oude kandidaats- en licentieopleiding overliep in de BaMa-structuur die nog maar voor 20% in voege was, met name het eerste bachelorjaar. Je moest geen profeet zijn om te weten dat dit problemen zou opleveren. In de praktijk besteedde de visitatiecommissie vooral aandacht aan de geplande BaMa-hervorming en toetste zij nog slechts marginaal de lopende opleidingen.
Reeds bij de eerste VLIR-vergadering ter voorbereiding van het visitatieproces heeft onze Faculteit hierover haar ongenoegen geuit, maar blijkbaar hadden de bevoegde in-stanties toen reeds onherroepelijk beslist dat de visitatie moest en zou plaats hebben. Gaf de visitatiecommissie er zich rekenschap van dat de faculteiten hun masterprogramma pas moesten indienen bij de overheid in april 2006, terwijl haar Deelrapport I met een kritische analyse van dat masterprogramma op dat ogenblik reeds voorlag? En wat zou zij gedaan hebben, indien de faculteiten in hunzelfevaluatierapport op 30 juni 2005 simpelweg zouden gezegd hebben dat hun masterprogramma nog niet vastlag? Heeft men ooit een wetgever, een regering of een rechter gezien die meer dan 10 maanden op voorhand klaar was met zijn verklaring tot grondwetsherziening, haar begroting of zijn arrest? Welnu, de rechtsfaculteiten waren tien maanden op voorhand grotendeels klaar met hun masterprogramma. En niettemin kregen sommige zeer vroeg bezochte faculteiten nog een kritische opmerking omdat zij in de ogen van de Commissie op het ogenblik van het bezoek van de commissie vooralsnog niet volledig klaar waren met één of ander onderdeel, bijvoorbeeld de masterproef (aspect 2.Cool. Bovendien weigerde de commissie er rekening mee te houden wanneer haar, lang voor zij zelf aan eindrapportering toe was, zorgvuldig werd meegedeeld dat ook dat onderdeel nu volledig was uitgewerkt. Deze weigering leidde er toe dat voor dat onderdeel drie later bezochte instellingen in het eindrapport de quotering ‘goed’ krijgen en de eerste bezochte instelling ‘voldoende’, met als motivering “dat er nog geen duidelijkheid [was] op het moment van het bezoek aan de instelling”. In het eindrapport van de commissie dat we ontvingen op 10 november 2006, d.i. gemiddeld een jaar nadat zij haar bezoek aan de faculteiten had afgelegd, staat daarover te lezen dat de commissie “in functie van haaropdracht en van het moment van de uitvoering ervan, bij haar oordelen geen rekening kan houden met nieuwe ontwikkelingen of uitgedrukte intenties” (p. 445). Dit is in het algemeen gezien een aanvaardbaar uitgangspunt voor elke visitatiecommissie. Maar mochten de instellingen, nu 80% van de bachelor- en masterprogramma nog in de intentionele fase was op het ogenblik dat de visitatiecommissie haar ronde aanvatte, niet verwachten dat de commissie met het eigene van deze visitatieronde adequaat rekening zou hebben gehouden? Dat ze dat niet deed, maar de abstracte regel mechanisch heeft toegepast, kan in het concrete voorbeeld dat zopas werd aangehaald, niet anders dan als manifest onbillijk worden ervaren. Meer in het algemeen en veel belangrijker kan men zich natuurlijk de vraag stellen welke zin het heeft een nog niet doorgevoerd nieuw programma te visiteren, en zich daarbij
marginaal te laten inspireren door het nog bestaande oude programma. Minstens zou men dan verwachten dat elke nieuwe informatie die beschikbaar komt met betrekking tot dat nieuwe programma, meegenomen wordt in de evaluatie.
4. Vierde verbetersuggestie aan de VLIR. Behoed de visitatiecommissies voor sluipende normering, en houd ze aan de toetsing van voorspelbare, d.i. vooraf bestaande normen.Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat de visitatiecommissie op een aantal vlakken zelf normen heeft gesteld die nu eens afwijken van wat thans algemeen aanvaard wordt, dan weer ontleend werden aan het "id quod hodie plerumque fit", maar daarom nog niet normatief zijn.
Dit proces van normstelling is wel bekend aan de examinator die zonder modelantwoord een examen aanvat, en naarmate hij studentenondervraagt of meer kopijen naleest op zoek gaat naar elementen die hij zelf aanvankelijk niet belangrijk vond, maar begint te
appreciëren naarmate hij ze frequenter hoort of leest. In het schriftelijk antwoord van onze faculteit op het vergelijkend rapport – antwoord dat
is opgenomen in het eindrapport van de visitatiecommissie – vindt men verschillende voorbeelden van sluipende normering die ons worden tegengeworpen, zowel inzake examenvormen, studietijdmetingen als talenonderwijs (pp. 451-454). Bij de lezing van de deelrapporten van de andere faculteiten, heb ik nog een mooie sluipende norm gevonden. Aan de Antwerpse universiteit wordt verweten dat zij onvoldoen-de rechtsvakken programmeert in de eerste bachelorjaren (p. 125) en aan de Antwerpse en Brusselse universiteiten wordt verweten dat zij de algemeen vormende vakken onvoldoende over de opleiding spreiden (pp. 125 en 185). Ik zou niet weten waar deze normen te vinden zijn. Of is het soms omdat de twee grootste faculteiten (dus onder andere de mijne) recht aanbieden vanaf eerste bacca, en hun algemeen vormende vakken gespreid hebben over de drie bacca-jaren, dat dit een norm geworden is?
5. Vijfde verbetersuggestie. Zorg ervoor dat de quoteringen die de visitatiecommissies geven passend gemotiveerd worden, ook en vooral als het tot vergelijkend rapporteren en dus quoteren komt. Nu zo’n vergelijkende rapportering en quotering voor het eerst werd toegepast in een visitatie rechten, was de hieraan te besteden aandacht dubbel
belangrijk. In de praktijk heeft de commissie zich grotendeels beperkt tot het gebruik van twee vlakke beoordelingsmogelijkheden: voldoende en goed. Zij gaf ofwel 12 ofwel 14. Zelfs als er echte sterke punten waren waar de internationale vergelijking ‘zonder meer’ kon worden doorstaan, bv. inzake bibliotheekwezen of inzake Erasmus-uitwisseling en internationalisering, dan nog durfde de commissie het niet aan ‘excellent’
te quoteren. Het vergelijkend rapport maakt zelden duidelijk wat er beslissend is om een onderdeel bijvoorbeeld als “goed” of “voldoende” te quoteren, dat wil zeggen al dan niet “uitstijgend boven de basiskwaliteit”. Het vervelende is dat het gerechtvaardigd karakter van het verschil in quotering evenmin blijkt uit de vergelijkende lezing van de individuele
deelrapporten. De motivering is dikwijls tautologisch: het is goed omdat het goed is, het is voldoende omdat het voldoende is.
Eén van vele voorbeelden, maar dan bepaald pijnlijk, komt tot uiting bij aspect 3.1 ‘de beoordeling van de kwaliteit van het personeel’. Laat mij vooreerst zeggen aan de niet-insiders dat het hier niet gaat over ‘de’ intrinsieke kwaliteit van het personeel, maar slechts over de didactische kwaliteit. En vervolgens dat het niet zozeer gaat over de effectieve didactische kwaliteit van het personeel, maar wel over de wijze waarop de faculteiten en universiteiten deze als benoemings- en promotiecriterium gebruiken, alsook over de wijze waarop faculteit en universiteit deze effectieve didactische kwaliteiten evalueren en ondersteunen. Twee universiteiten krijgen goed, de drie andere voldoende. Ik nodig U uit om te gelegener tijd, zoals ik gedaan heb, de betrokken passages in de deelrapporten te herlezen, en ook het vergelijkend rapport erop na te slaan. Een aspect dat uiterst gevoelig ligt, door zijn titel alleen, ‘kwaliteit van het personeel’, wordt nauwelijks en erg formeel gemotiveerd. Ex autoritate zegt de commissie dat bij bevorderingen en evaluaties in de twee betrokken universiteiten het meest uitgesproken rekening wordt gehouden met didactische kwaliteiten (p. 44). Laat ons hopen dat in die twee universiteiten dan ook een gelijke d.i. meest uitgesproken aandacht wordt besteed aan de onderzoekskwaliteiten bij benoemingen en bevorderingen. Zo niet, dan zouden deze universiteiten naar mijn oordeel niet de juiste algemene personeelskwaliteit nastreven.. Iedereen zal het met mij eens zijn dat onze professoren niet alleen maar goede lesgevers moeten zijn. De drie andere faculteiten worden in het vergelijkend rapport achteruitgesteld omdat hun professoren te weinig deelnemen aan onderwijsprofessionaliseringsactiviteiten (p. 44). Weliswaar wordt aan één van de twee op dit punt als ‘goed’ beoordeelde universiteiten, met name de Gentse, in haar deelrapport verweten dat slechts 29% van haar professo-ren deelnemen aan de onderwijsprofessionaliseringsactiviteiten (p. 206). Dat verwijt is echter niet terug te vinden in het vergelijkend rapport, waar het wel nadrukkelijk gemaakt wordt aan de drie als ‘voldoende’ gequoteerde faculteiten (p. 44).
*
*
Mijnheer de Voorzitter, dames en heren,
Ik heb mij lang bezonnen over de vraag of een tussenkomst als deze vandaag op haar plaats was. Dat ik het uiteindelijk heb aangedurfd, bewijst enkel dat mijn faculteit en het rechtsonderwijs in Vlaanderen mij zeer ter harte gaan.
Niemand kan het een rechtsfaculteit ten kwade duiden dat zij aandacht vraagt voor correcte procedures. Een dergelijke bekommernis verdient beluisterd te worden door elkeen die met kwaliteitszorg en kwaliteitsbeoordeling bezig is.
De vraag bij zo’n visitatierapport is of men de eigen faculteit en de andere faculteiten er uiteindelijk in herkent en ook in erkend weet.
Dat gevoel van herkenning en erkenning heeft onze faculteit slechts in zeer beperkte mate. Met name de uiterst strenge wijze waarop de Antwerpse faculteit wordt gequoteerd beantwoordt in onze ogen niet aan de werkelijkheid: zij staat bekend als een zeer goede rechtsfaculteit, zowel op onderwijskundig als op onderzoeksmatig vlak. Ook de
KUB is zeer matig gequoteerd, ook in sommige van haar MaNaMa's die ondanks karige middelen een uitstekende reputatie wisten op te bouwen.
Op de vraag of de eigen Leuvense faculteit en Kortrijkse subfaculteit door dit visitatie-rapport voldoende erkend werden, past het niet dat een Leuvenaar ingaat. Aan een oratio pro domo heeft niemand wat op zo’n moment.
Ik maak toch één uitzondering. Wat mij bijzonder ongelukkig stemt, is dat Leuven en Kortrijk slechts voldoende hebben gekregen op de kwaliteit van hun personeel o.a. omdat onderwijsevaluaties er alsnog op onvoldoende regelmatige tijdstippen zouden gebeuren. In haar Bemerkingen van april 2006 wees de faculteit er al op dat zij, in het tot in 2004 geldende universiteitsbrede JaDe-systeem ("jaarlijkse docentenevaluatie"), ver-
gelijkend gezien, opvallend goede gemiddelde scores haalde en dat dit ook te lezen was in haar zelfevaluatierapport en in detail te retraceren in de bijlagen daarbij. Als de faculteit ook meedeelt dat een volgende docentenevaluatie van start gaat in 2006, naarmate de hervorming jaar op jaar op kruissnelheid komt, is het enige wat de commissie ant-
woordt dat er geen uitgewerkt systeem was op het ogenblik van het bezoek van de commissie. Hier bevriest de commissie haar beoordeling opnieuw kunstmatig op het moment zelf van het bezoek, en gaat zelfs voorbij aan de goede resultaten uit de onmiddellijk daaraan voorafgaande jaren, die nochtans binnen de te evalueren periode vielen. Zij blijkt niet in staat of bereid om het kortstondige karakter van een overgangsperi-
ode op correcte wijze te situeren. Ik kan U in elk geval meedelen dat de docenten van de rechtsvakken in eerste bacca in de zopas aan mij meegedeelde evaluatie 2005-2006 een didactische waarderingsscore behaald hebben van gemiddeld 5 op 6 (d.i. een score van 85%). En ik kan u ook meedelen dat de programmadirecteur straks de onmogelijke taak wacht om hen uit te leggen waarom hun kwaliteit desalniettemin slechts voldoende is.
Voor het overige wil ik de reactie hernemen waarmee mijn faculteit is ingegaan op de eerste versie van het deelrapport en bevestigen: de geuite bezwaren doen niets af van onze volgehouden betrachting om ons te verbeteren. Wij zullen daarbij, waar mogelijk en nuttig, dankbaar gebruik maken van de verbetersuggesties van de commissie.
Ik dank u.