De schoonheid van de wereld draagt vaak een ondertoon van tristesse in zich. Juist omdat wat mooi is ook eindig is, krijgt het een breekbare intensiteit. Pracht en verwondering kunnen uiteindelijk ook maar enkel bestaan uit de aard van hun eindigheid, ze schitteren, maar nooit voor altijd. En wanneer het verdwijnt, soms ruw en onverdraagzaam, blijft er een knagende leegte achter die de waarde alleen maar tastbaarder maakt. In die spanning tussen verwondering en verlies ontstaat een wereld die tegelijk hartverscheurend en betoverend is.