Ook na de Eerste Wereldoorlog bleek de wet van 1914 niet overal te worden nageleefd. Een circulaire uit 1926 van de socialist Huysmans, tussen 1925 en 1927 verantwoordelijk voor het onderwijs, kon die situatie die in de hoofdstad de meeste problemen opleverde, evenmin wijzigen. Overigens verhinderde de wet niet dat er in Vlaanderen Franstalige afdelingen of scholen konden worden opgericht. Zo functioneerden er omstreeks 1930 nog steeds meer dan 200 Franstalige lagere scholen in het gemeentelijk en vrij gesubsidieerd onderwijs, hetgeen ongeveer met 1,5% van de leerlingenpopulatie overeenkwam. Daarnaast waren er ook nog geheel vrije scholen die het Frans als voertaal hadden, maar daarover informeerden de statistieken niet vermits de wet op die sector niet van toepassing was. Vooral in de sector van het meisjesonderwijs bleef de 'verfijnde' Franse pensionaatsopvoeding omwille van haar vermeende statuswaarde een grote aantrekkingskracht uitoefenen. Het H.-Hartinstituut te Heverlee maakte tot in Nederland reclame met zijn stelsel van tweetaligheid. In een ongedateerde prospectus van rond de Eerste Wereldoorlog stond te lezen dat "leerlingen die ons uit Nederland toekomen, vlug degelijk Fransch leeren".