Zonder mirakelakkoord in de komende maanden wordt de echte begrotings*inspanning voor deze regeerperiode verwaarloosbaar. Ironisch genoeg ziet het ernaar uit dat de regering-Michel op dat vlak ruim zal achterblijven op de regering-Di Rupo.
‘Show me the money.’ Met die oneliner hekelde Bart De Wever in 2014 het gebrek aan besparingen van de regering-Di Rupo. Het was allicht de oneliner die het meest bleef hangen in de campagne van 2014, en hij zette meteen de toon voor de nieuwe regering. Die schoof al snel de ambitie naar voren om de begroting weer in evenwicht te krijgen.
Met nog een goed jaar te gaan voor de federale verkiezingen krijgen we stilaan meer zicht op het budgettaire rapport van de regering-Michel. Hoewel de regering haar ambitie van evenwicht intussen liet varen, lijkt dat op het eerste gezicht mee te vallen. Maar schijn bedriegt.
Onder Di Rupo verbeterde het begrotingstekort van 4,1 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2011 naar 3,1 procent in 2014. Onder de regering-Michel verbeterde het tekort verder tot 1 procent in 2017. Michel doet dus dubbel zo goed als Di Rupo. Met die conclusie zijn evenwel twee problemen.
Ten eerste loopt deze legislatuur nog tot midden 2019. Vorige week publiceerde de Europese Commissie haar nieuwe vooruitzichten. Voor de overheidsfinanciën vertrekt ze van een veronderstelling van ongewijzigd beleid. Zonder nieuwe maatregelen ziet de Commissie het Belgische begrotingstekort weer verslechteren tot 1,3 procent van het bbp in 2019.
Ten tweede, en veel belangrijker, zegt de verandering in het begrotingssaldo weinig of niets over de echte begrotingsinspanningen.
Het begrotingssaldo wordt onder meer beïnvloed door de ontwikkelingen van de rente en het conjunctuurklimaat, factoren waarop de regering zeker op korte termijn weinig tot geen invloed heeft. Daarnaast kan de regering eenmalige maatregelen nemen die tijdelijk de begroting beïnvloeden maar geen deel uitmaken van het eigenlijke begrotingsbeleid.
Om dat laatste te evalueren moet het begrotingssaldo gezuiverd worden van dat soort tijdelijke en externe factoren. Alleen dan komt er een duidelijk zicht op de echte begrotingsinspanningen. Zo kon de regering-Di Rupo profiteren van een beperkte daling van de rentelasten, maar moest ze opboksen tegen een duidelijke negatieve invloed van de economische conjunctuur. Daarbij deed ze wel een beroep op een reeks eenmalige ingrepen. De echte begrotingsinspanning onder Di Rupo leidde tot een verbetering van het tekort met 0,8 procent van bbp. Die inspanning gebeurde trouwens volledig aan de inkomstenkant.
Meer geluk dan inspanning
In tegenstelling tot Di Rupo kon Michel profiteren van erg gunstige omstandigheden. De rentelasten zakten fors en het economische klimaat was duidelijk positief. Tot en met 2017 stond de teller voor de eigenlijke begrotingsinspanningen van Michel op 0,8 procent van het bbp, eenzelfde inspanning als Di Rupo. Maar volgens de ramingen van de Europese Commissie heeft het echte beleid in 2018-2019 een negatieve impact op de begroting. Tegenover de extra lastenverlaging van de taxshift staat onvoldoende compensatie via andere inkomsten of verdere besparingen.
Allicht koos Michel er bewust voor de echte begrotingsopkuis te laten liggen.
Voor de hele legislatuur raamt de Commissie de echte begrotingsinspanning op amper 0,1 procent van het bbp. Zonder nieuwe structurele begrotingsingrepen zal de duidelijke verbetering van het tekort in deze legislatuur dus zo goed als volledig te danken zijn aan gunstige externe omstandigheden, en niet aan het beleid van de regering. Op papier is de regering nog van plan inspanningen te doen, maar op een jaar van de verkiezingen en met de huidige sfeer onder de coalitiepartners valt het te betwijfelen dat dat nog lukt. Ironisch genoeg ziet het ernaar uit dat de regering-Michel op het vlak van echte begrotings-inspanningen ruim achter zal blijven op de regering-Di Rupo.
Allicht koos Michel er bewust voor de echte begrotingsopkuis te laten liggen. Deze regering gebruikte de meevallers van rente en conjunctuur om de begroting te verstevigen. Daarnaast werd ook effectief bespaard. De overheidsuitgaven (gezuiverd voor rente en conjunctuur) zakken in deze legislatuur met 1,6 procent van het bbp, dat is de grootste (en eerste) besparingsinspanning sinds de regering-Dehaene. Ook na die inspanning blijven de Belgische overheidsuitgaven trouwens bij de hoogste van Europa.