Even terug een antwoord op wat vragen van de vorige pagina, hoewel ik vooral de notie van cyclische tijd nog even uit de doeken wil doen. De normativiteit zal nog moeten wachten.
Er zijn voor de religieuze mens twee verschillende noties van tijd. (cf. Mircea Eliade,
Klik) Voor de niet-religieuze mens is er slechts 1 notie van tijd. Ik nuanceer dan ook de boude uitspraak dat onze samenleving gebonden is aan onherroepelijke cyclische wetten. Wat niet zegt dat ik de notie van cyclische tijd verwerp. Er bestaan eerder twee tijdslagen, die door de moderne mens wordt gereduceerd naar 1 tijdslaag omdat deze de 'brug met de Traditie' heeft verbroken. Traditie als een esoterische wijsheid, niet de 'kleine' traditie van de folklore.
De traditionele notie van tijd was ritmisch en kwalitatief. Het werd opgebroken in cyclussen en periodes waarin elke periode een eigen betekenis had en een specifieke waarde vertegenwoordigde in haar relatie met andere periodes. Traditionele tijdsperiodes zoals de cyclus van Kali Yuga van 4.320.000 jaar moeten niet kwantitatief maar kwalitatief opgevat worden: het drukte geen kwantiteit uit maar wel een ritmische structuur. De traditionele 'kosmische' tijd is sacraal, zinvol en cyclisch. De mythen vormden dan ook een essentieel onderdeel van de pre-historische (als in de tijdsnotie, niet de 'historische' oermens) religieuze mens. Dat is het concept van de eeuwige terugkeer, met de periodieke vernietiging en herschepping. De reden waarom degeneratie plaatsvind is omdat deze tijd net als een vallend lichaam noodzakelijk neerwaards gaat.
De traditionele wereld kende een hiërarchie van deze cycli of tijdsperiodes (bij de Hindoes ook wel de
Manvantara genoemd), waardoor de sacrale wereld superieur werd geacht boven de profane wereld: tijd werd immers van bovenuit geregeld. Interessant is dat in de traditionele wereld nooit voorwerpen werden aanbeden. Het concept van Eliade's hierofanieën komt hier op de voorgrond: bijvoorbeeld een steen werd niet vergoddelijkt, maar de steen werd geschikt geacht om de goddelijke machten op een analogische manier te vertegenwoordigen. Het vertegenwoordigt het
ganz andere.
De ene is de lineaire historische tijd: een eenvoudige onterugkeerbare orde van opeenvolgende elementen. Tijd in deze notie is een kwantitatief en homogeen. Maar het is ook relatief, gezien het feit dat tijd de vierde dimensie van de ruimte is geworden waardoor het een mathematisch gegeven is dat absoluut onverschillig staat tegenover gebeurtenissen. Vanuit deze optiek valt het niet af te leiden dat we van de ene periode naar de andere zijn vervallen. De historische tijd is profaan, 'op zich' zinloos en lineair. Wat niet wegneemt dat er geen betekenisvolle notie aan gegeven kan worden, zoals de Abrahamitische religies, Hegel tot aan Fukuyama.
Mircea Eliade beschouwt het Christendom als een soort van breukpunt, omdat deze de historische tijd een extra waardering geeft. Onder Hegel werd de geschiedenis zelfs een theofanie: alles wat in de geschiedenis gebeurt, moest zo gebeuren omdat het zo bestemd was door de universele Geest. Dat valt in verband te brengen met Marx' verklaring van de onherroepelijke val van het kapitalisme dat zou leiden tot het arbeidersparadijs. Maar ook dat komt ooit aan een einde.