Nu ik mijn bijdrage nog eens herlees vind ik die bijzonder knullig geformuleerd. Ik zal het even verduidelijken aan de hand van een voorbeeld. Ouders in de dominante klasse spreken AN, lezen vaak boeken, verbeteren hun kinderen wanneer zij een taalfout maken, en leren hun kinderen ook vroeger om de motieven van hun gedrag te verbaliseren (onder meer doordat zij dezelfde logica hanteren om hun kinderen te berispen: in plaats van 'Zit stil!' is het 'Zit stil, want ...'), etc.
Dat klinkt alvast weinig problematisch, maar we zijn er nog niet. Doordat die ouders deel uitmaken van de dominante klasse, hebben zij ook de macht om het gebruik van een mooie taal te valoriseren: in het onderwijs is een correct en mooi taalgebruik zowat het belangrijkste dat verwacht wordt, een sollicitatiebrief vol taalfouten belandt meteen in de prullenbak, etc. Hierdoor behoudt de dominante klasse zijn positie. Datgene waar zij een voorsprong mee hebben (net als hun kinderen), wordt/is datgene wat belangrijk wordt geacht in de maatschappij, net omdat zij de macht hebben om te bepalen wat belangrijk is!
Je moet dat niet zien als een bewuste strategie: die logica om taal belangrijk te vinden is voor de leden van de dominante klasse 'normaal', 'natuurlijk'. Voor de gedomineerde klassen is dat trouwens ook zo: het wordt algemeen erkend dat een mooie taal vereist is om op de arbeidsmarkt een positie in te nemen waarbij taal gebruikt moet worden (en zelfs waarbij dat nauwelijks het geval is). Hierin weerspiegelt zich nogmaals de macht van de dominante klasse: in het maatschappelijk leven in het algemeen en op school in het bijzonder slaagt zij er niet in om die belangrijke capaciteiten over te dragen op de gedomineerde klasse; wél slaagt zij erin om hen mee te geven dát die capaciteiten belangrijk zijn, waardoor zij haar positie bestendigd ziet.
Dat is slechts één voorbeeld. U vraagt wat er problematisch is aan een dergelijke logica. Daarop is geen sluitend antwoord mogelijk, daar u een normatieve vraag stelt. Het geeft - hopelijk - echter wel te denken over de implicaties hiervan op macht, sociale gelijkheid, gelijkheid van kansen, de legitimiteit van de huidige maatschappelijke verhoudingen etc. Of heel concreet: het ontstaan van het fascisme. Het is bijzonder interessant om die oefening te maken.