In vroeger tijden 'vonden' mensen goden uit voor van alles en nog wat, omdat dat niet alleen een verklaring bood voor zaken die op dat moment onverklaarbaar waren, maar omdat het de mensen bovendien een zekere 'controle' (of althans de illusie daarvan) bood op elementen waar zij hoegenaamd geen invloed kon uitoefenen. Door het brengen van offers, het verrichten van religieuze daden (je leven leiden zoals de goden dat van je verlangden), het vasthouden aan een 'religieuze' code van normen en waarden kon je de illusie opwekken dat je er een zekere controle op kon uitoefenen. Je kond de goden "gunstig" stemmen. Zo werd religie al snel een vorm van maatschappelijke ordening: het biedt houvast, het geeft richting aan het leven, biedt een leidraad zo je wil.
Met de wetenschappelijke revolutie is 'religie' als maatschappijlegitimerend gegeven in het westen grotendeels weggevallen (denk aan de 'Civitas Dei' van Augustinus, of de koning als 'vertegenwoordiger van God op aarde'). Dat neemt niet weg dat men ook in vroeger tijden soms erg pragmatisch met religie kon omgaan - denk maar aan de Romeinse samenleving, die niet zozeer religieus als wel zeer formalistisch en ritualistisch van aard was.
God is als verklarend gegeven sedertdien vervangen door 'de wetenschap'. Dat is ook hetgeen wat Nietzsche bedoelde toen hij zei: "Gott ist tot": God (en religie) hebben afgedaan als verklaringsmodel.
Het probleem vandaag is dat sommige mensen religie alsnog willen inzetten als verklaringsmodel naast wetenschap, dikwijls onder drogredeneringen als 'we kunnen niet alles weten' en 'de wetenschap heeft niet alle antwoorden'. Die vlieger gaat echter niet op. De twee zijn niet op een serieuze manier met elkaar verenigbaar.
Daar staat tegenover dat in veel gevallen "wetenschap" vandaag de dag de plaats van God ingenomen heeft als legitimerend gegeven. Daar waar vroeger "alles" in het teken stond van God, staat nu "alles" in teken van de wetenschap. Zeer veel mensen dwepen met wetenschap zoals anderen met religie dwepen: zonder te weten wat er nu eigenlijk gezegd wordt.
"De wetenschap zegt dit" of "die wetenschapper zegt dat" - in se is het niet zó verschillend van "het geloof zegt dit" of "die priester zegt dat". Vandaar het succes van pseudowetenschap: het zijn welhaast 'priesters' die zeggen wat de mensen willen 'geloven'. Vroeger was dat overgoten met een religieus sausje, nu met een pseudowetenschappelijk sausje.
Het ene bestaat in de werkelijkheid, het ander is ontsproten aan de verbeelding van de mens. Beiden verworden echter tot iets meer dan dat: in beide gevallen is het een verklaringsmodel waar "geloof" gehecht wordt.