Patrick Lefevere en Johan Museeuw hebben deze week een storm van verontwaardiging over zich heen gekregen. Hoe lang houdt de wielersport zijn dopingcultuur vol?
MET de stemmingmakerij rond Patrick Lefevere en de schuldbekentenis van Johan Museeuw is de wielersport weer een sappig dopingschandaal rijker. De reacties waren opnieuw even hevig als voorspelbaar: nog maar eens werd het einde van de wielerwereld voorspeld. Het zal wellicht ook nu weer niet zo'n vaart lopen. We zijn intussen wel wat gewend. Zoals de hypocrisie die bij iedere affaire opduikt.
De buitenwereld gaat bij iedere dopingzaak steil achterover: hoe is het mogelijk? Ook nu weer: Museeuw van zijn voetstuk! Hoezo, van zijn voetstuk? Wat hij heeft bekend, verbaasde nauwelijks. En bovendien: bijna alle groten van de wielersport waren ooit wel eens positief. Ligt de bijna-Grootste Belg Eddy Merckx van zijn piëdestal omdat hij drie keer een scheve schaats gereden heeft? Vooravond van de Tour 2006: Ullrich en Basso naar huis.
Maar in het voorjaar van 1977 liepen in de Stimul-affaire liefst 39 renners tegen de lamp, onder wie haast alle toenmalige vedetten, met uitzondering van Roger De Vlaeminck. Op de vraag of hij dan nooit heeft gepakt, pleegt De Vlaeminck nog steeds te antwoorden: ,,Correctie: ik ben nooit gepakt.''
Adam was de eerste dopinggebruiker. Hij proefde van de verboden vrucht omdat het serpent in de boom hem had wijsgemaakt dat hij daardoor gelijk zou worden aan God. De mens is in wezen niet veel veranderd.
Dat die drang naar het hogere de wielrenner parten zou spelen, was haast voorspelbaar, gezien de onmetelijke zwaarte van zijn stiel en de roem die hij ermee kon bereiken. Sinds het begin der wielertijden is doping een constante. Het gebruik nam zo'n vaart dat goed veertig jaar geleden federaties en overheden beseften dat ze moesten ingrijpen.
Wielrennen wordt intussen haast vereenzelvigd met doping. Het is dan ook merkwaardig hoe bij iedere affaire een soort hysterie ontstaat, terwijl soortgelijke affaires in andere sporten nauwelijks een rimpeling in het water veroorzaken. Met de saga rond Lefevere en Museeuw was het afgelopen week niet anders. Maar de emoties en het stof belemmeren een goed zicht op de zaak. Wat weten we?
Cavalier seul
We weten nu met zekerheid dat Museeuw in zijn laatste carrièrejaar cavalier seul speelde en in een finale opstoot van eerzucht naar het verboden spul greep, buiten de ploeg om. Dat was niet verstandig. Vooreerst pleegde hij verraad tegenover manager Lefevere, dokter Van Mol en verzorger Nachtergaele. Die begeleiders hadden hem niet alleen gestuurd, afgeschermd en gesteund, ze hadden hem ook al die jaren in dopingvrij water kunnen houden, wat van de meeste toppers niet gezegd kan worden.
Zonder een fatale denkfout van hem zou van een affaire-Museeuw overigens geen sprake zijn geweest. Toen 'De Leeuw' werd getipt dat zijn telefoon werd afgetapt, beperkte hij zijn gsm-verkeer met veearts Landuyt tot sms'jes, omdat hij in de waan verkeerde dat die niet konden worden onderschept. Door die naïeve flater rust voor de rest van zijn leven een smet op zijn blazoen.
Museeuw werd ook het slachtoffer van de status die hij zich mettertijd aanmat. Als eenoog in het land der blinden, als redder van het Belgische wielervaderland voelde hij zich steeds meer boven het plebs verheven. Hij werd incontournable en speelde dat graag en ostentatief uit. Dat leidde tot een vorm van hooghartigheid die de buitenwereld in het algemeen en de media in het bijzonder steeds minder konden pruimen.
Toen hij zich met de affaire-Landuyt in de nesten werkte, hoefde hij in de media dan ook op niet veel mededogen te rekenen. Met zijn bekentenis van woensdag is hij definitief uit het walhalla afgedaald. Op termijn een goede zaak, voor hem en voor zijn relatie met de buitenwereld. Biecht en boete kunnen een mens louteren.
Je kunt het verhaal-Museeuw ook omkeren. Veronderstel even dat hij zijn sms-flater niet had begaan en zich in 2003 vrijuit op zijn laatste doel had kunnen voorbereiden, om in Hamilton nog eens wereldkampioen te worden. Dan had hij zich evengoed gedrogeerd, maar niemand zou iets hebben vermoed en de buitenwereld zou hem beschouwen als een van de allergrootste renners ooit. Nu doen velen hem af als een bedrieger en wordt getwijfeld aan de manier waarop hij zijn andere grote overwinningen heeft behaald.
Maffia
Het is een goede illustratie van de kloof die in de wielerwereld gaapt tussen schijn en werkelijkheid. Het peloton is een schouwtoneel dat volle zalen trekt, maar waarvan slechts weinigen de coulissen kennen. In dat laatste kenmerk vertoont het wielermilieu veel gelijkenissen met de maffia.
Dat klinkt negatief, maar dat is het niet per se. Ook de maffia produceert vedetten en kan in brede lagen van de bevolking op een incivieke vorm van sympathie rekenen. Het zal het wielerpubliek ook worst wezen of er nu gepakt wordt of niet in het peloton. Als er maar spektakel is.
De wielrennerij wordt bevolkt door een kleine, haast inteelterige groep van een aantal honderden mensen, die verbonden zijn door het cement van de lotsverbondenheid en het besef van een wat elitaire en gelijkhebberige exceptionaliteit. Voor deze rondtrekkende bendeleden gelden ongeschreven wetten. Het is een keiharde wereld, waarin de ploegen elkaar als clans te lijf gaan en waarin geregeld interne conflicten losbreken. Maar als de buitenwereld zich tegen een van hen keert, sluiten zich de rangen. De buitenwereld, dat is de niet-wielerwereld, waarin andere normen en waarden heersen.
Doping is een goed voorbeeld. Veel renners beschouwen dopingproducten als een vorm van medische begeleiding waarop zij gezien het uitzonderlijke van hun prestaties zonder meer recht hebben. Buitenstaanders, die de hardheid van de stiel niet kennen, kunnen dat niet begrijpen.
In de jaren zeventig waren amfetamines en Stimul de vedettemiddelen. Iedereen in het milieu deed eraan mee of wist er minstens iets van af. Maar de acteurs en hun begeleiders ontkenden in alle toonaarden.
Nu zeggen alle oudgedienden: ,,Amfetamines waren toen schering en inslag. Natuurlijk heb ook ik het wel eens geprobeerd, iedereen deed het trouwens.'' Maar toen zweeg iedereen. In de jaren tachtig verschenen de anabole steroïden uitgebreid op het toneel. De wielerwereld experimenteerde voluit, maar zweeg als het graf. Nu heet het dat iedereen toen weleens aan de anabolica zat. Je hoort het weer zoveel jaren na datum. Idem dito met de epo-periode van de jaren negentig. Terwijl op den duur minstens driekwart van het peloton aan de epo zat, speelde men naar buiten toe de vermoorde onschuld. Tot de Festina-zaak losbarstte en duidelijk werd dat heel het milieu was besmet.
Scepsis
Moeten we nu dan zo naïef zijn te geloven dat het milieu zichzelf heeft uitgezuiverd en dat alleen nog een individuele idioot zich de vingers schroeit? Die scepsis is de prijs die de wielersport moet betalen voor zijn toenemende gebrek aan geloofwaardigheid. Museeuw wist dat hij de kluit had belazerd, zijn omgeving wist het, Lefevere wist het, maar twee jaar lang zweeg of loog iedereen. (Vader Eddy Museeuw indertijd: ,,Mijn kop eraf als je kunt bewijzen dat Johan doping heeft gepakt.'').
Nu ook bestaat nog steeds de indruk dat er meer aan de hand is, maar dat de wielerwereld zwijgt. In de inner circle van het peloton weet nochtans iedereen alles van iedereen. In die carrousel, waarin renners, mecaniciens en verzorgers voortdurend van ploeg veranderen, weet iedereen ook dat je vijand morgen je vriend kan zijn, of omgekeerd.
Een van de gevolgen van die sociale configuratie is de omerta, de wet van het stilzwijgen. Wie spreekt, tekent zijn doodvonnis, figuurlijk toch. Daarom zijn er zo weinig spijtoptanten. Daarom spreken getuigen veelal anoniem. En ze beschikken over niet veel meer dan hun woord, omdat er in het milieu weinig bewijsmateriaal op papier staat. Ook maffiosi houden geen notulen bij.
Wie zich sterk maakt dat hij Lefevere kan doen vallen, zal dan ook over goede papieren moeten beschikken. Lefevere heeft al heel wat watertjes doorzwommen en laat zich niet gauw uit zijn lood slaan. Getuigenissen zoals die waarmee Het Laatste Nieuws voor de pinnen kwam, zullen niet volstaan om hem omver te duwen.
Lefevere is niet voor één gat te vangen. Hij is intelligent en beschikt over een fenomenaal geheugen, vooral voor cijfers. Daardoor is hij een uitstekende en beenharde manager, die met zijn natuurlijke leiderscapaciteiten gemakkelijk een groep dirigeert. Hij is een alert psycholoog, die vlug weet welk vlees hij in de kuip heeft.
Hij kent ook als geen ander de wetmatigheden van de wielersport. Met die cocktail aan kwaliteiten creëerde hij een geoliede wielermachine die de jongste tien jaar van het ene succes naar het andere fietste. Lefevere vergeet niets. Wie hem een peer heeft gestoofd, krijgt vroeg of laat de rekening gepresenteerd. Hij is sluw ook, kent de zwakheden van zijn tegenstanders, speelt de rivaliteiten van mensen tegen elkaar uit.
Maar zijn toenemende dominantie dreef hem, parallel met het psychologische proces bij Museeuw, naar een vorm van arrogantie die hem steeds meer vijanden opleverde. Machtsmensen gaan uit van het axioma dat alle mensen redeneren in termen van macht.
Zijn minachting voor de groeiende schare van personen die hij domineerde, groeide recht evenredig met zijn heerschappij. Hij beseft dat de media nuttig en zelfs onmisbaar zijn om te zorgen voor de nodige publicitaire return voor zijn sponsors. Die hebben zich hun alliantie met Lefevere trouwens nog niet beklaagd. Maar Lefevere beschouwt het persleger in de eerste plaats als een noodzakelijk, maar gelukkig makkelijk manipuleerbaar kwaad. Nu slaan die persjongens terug. De vraag is of de klap hard genoeg is. En vooral, of hij aankomt.
Zeden
Want wat kan Lefevere in de schoenen worden geschoven? Feitelijk niet veel. Noch de wielerbond noch het parket heeft genoeg materiaal om mee uit te pakken. Op het vlak van onderzoeksjournalistiek was het dossier in Het Laatste Nieuws geen hoogvlieger. Het wemelde van de slordigheden, evidente controles (in de zaak-Lotz, bijvoorbeeld) gebeurden niet. Alle registers van de sensatiejournalistiek werden opgetrokken, met tendentieuze titels ('Patrick Lefevere: dertig jaar doping') en baarlijke-duivelfoto's van de geviseerde als visuele stormrammen.
En wat dan nog? Hoogstens kan de bekentenis van Museeuw leiden tot een vervelende fall-out op het ethische blazoen van Lefevere. Die laatste had in februari 2005 druk moeten uitoefenen op Museeuw om hem te doen spreken. Dat was het minste wat men kon verwachten van iemand die een maand eerder het ethische charter van de profwielrennerij had laten goedkeuren.
Daarmee bevindt de discussie zich op het terrein waar het er echt toe doet: dat van de zeden. Want wat is het verschil tussen doping enerzijds en prestatiebevorderende middelen die (nog) niet opspoorbaar zijn anderzijds? Als een renner van het eerste iets gebruikt, kan hij tegen de lamp lopen. In het tweede geval niet. Maar in beide gevallen zou hij een slecht geweten moeten hebben.
Het is met dat collectieve geweten dat het in de wielersport de jongste decennia van kwaad naar erger ging. Er was een toenemende vorm van normvervaging merkbaar. Dat leidde op het gebied van doping tot excessen die de dood van de sport kunnen betekenen.
Het is een evolutie die ook Lefevere heeft onderkend. Los van zijn eventuele medeplichtigheid aan de epo-manie van de jaren negentig probeerde hij er de jongste jaren een mentaliteitswijziging door te drukken. Het uitschot moest eruit, zo luidde het. Onder uitschot moeten we wellicht verstaan: individuele renners die buiten de medische begeleiding van de ploeg om een scheve schaats rijden.
Maar ook Lefevere kan zich moeilijk losmaken van zijn verleden. In plaats van als de voorvechter van een nieuwe, cleane wielersport te worden beschouwd, zit hij nu onder de modder. Dit zint de immer stijlvol geklede Lefevere niet. Daarom zette hij gisterenavond de tegenaanval in. Dat is zijn goed recht. Het zou hem nog meer sieren als hij zichzelf en zijn collega's tot een collectieve schuldbekentenis omtrent het verleden over kon halen, om met een tabula rasa opnieuw te kunnen beginnen.
Een soort Staten-Generaal zou zich over het toekomstige dopingbeleid moeten buigen, waarbij renners, ploegleiders, teamdokters, biomedici, fysiologen, ethici, juristen, bondsleiders en politici duidelijk moeten maken wat het verschil is tussen medische begeleiding, versterkende middelen en doping. Om uit te maken of profrenners 'professionele' producten mogen gebruiken of niet. Om te bepalen of omstreden middelen als epo al of niet kunnen, en zo ja, in welke mate. De wielersport heeft dringend een nieuw jaar nul nodig.