Vroeger, voor de tijd van de kunstmeststoffen, was menselijke mest een gegeerd goedje. Een boerderij was nooit zelfvoorzienend genoeg in haar eigen mestbevoorrading, dus waren er lucratieve contracten met steden om de mestputten leeg te maken. Antwerpen vaardigde zelfs tenders uit met zeer lucratieve winstmarges. Huizen werden met een meerwaarde verkocht als er een beerput aan verbonden was.
Weinig benijdenswaardig en riskant werkje, echter, zo'n mestput leeghalen. Dat was met een ploegje van ca. 4 man in de nachtelijke uren. Iemand moest met een lange lepel de viscositeit testen, een andere moest erin kruipen om de beerput tot op de bodem leeg te maken en daar vond je wel al eens een lijk in van een boreling die erin werd gegooid door een dienstmeid die door Meneer werd verkracht (ca. 371 van die infanticidegevallen tussen 1836 en 1845) ... maar de leukste job was ongetwijfel voor de beerproever die de kwaliteit testte en bepaalde en daarmee ook de tarieven door ... met zijn wijsvinger in de drek te porren en ervan te proeven. Hoe zouter de stront, hoe beter de kwaliteit!
Wie zijn eigen job een strontjob vindt mag zijn beide pollekes kussen dat die zijn pollekes niet in de stront moet dabben om een prijsbepaling te doen.