https://steunpuntwonen.be/Documenten_2012-2015/Onderzoek_Werkpakketten/gwo-volume-1-eind.pdf
pagina 15
In het GWO 2013 werd de grootte van de woning opgemeten in de woningopname. Op basis daarvan werd ‘bewoonbare oppervlakte’ vastgesteld, dit is de woonoppervlakte van de leefruimtes, kamers en keuken. Het was de eerste keer dat de woonoppervlakte op deze wijze werd gemeten. De meting levert als resultaat een gemiddelde woonoppervlakte van 90 m2 , met een logisch verschil tussen eengezinswoningen (99 m2) en meergezinswoningen (64 m2).
Tijdens de Socio‐economische Enquête 2001 werd aan de bewoners gevraagd een schatting te maken van de woonoppervlakte van dezelfde ruimten. Hoewel de meting niet op identiek dezelfde wijze gebeurde, is een vergelijking interessant om de evolutie te kunnen zien tussen 2001 en 2013. Daarbij valt vooral een afname van het aandeel van de kleinste woningen op. De woningen kleiner dan 55 m2 vertegenwoordigen in 2013 nog 13%, komende van 27% in 2001. Deze afname gaat gepaard met een even grote toename van de klasse woningen net onder het gemiddelde (55‐84 m2),
van 27% naar 39%. Het aandeel woningen van 85 m2 en groter is stabiel gebleven. Eenzelfde trend wordt vastgesteld op basis van EPB‐data voor woningen gebouwd vanaf 2006, waarbij wel een andere definitie van vloeroppervlakte is gebruikt.6 Daaruit blijkt een dalende trend qua brutovloeroppervlakte van nieuw gebouwde halfopen en vrijstaande woningen. Bij appartementen is geen echte verandering merkbaar en bij de rijwoningen is er een lichte stijging van de opper‐ vlakte (De Baets et al., 2014).
De kadastrale statistieken van het gebouwenpark van ADS tonen voor het Vlaamse Gewest een dalende trend wat betreft de gemiddelde bewoonbare oppervlakte bij nieuwbouw, van ruwweg 123 m2 in 2001 naar 103 m2 in 2013 (ADS, 2014).
Hoewel het aandeel woningen met een kleine woonoppervlakte afneemt, zien we over dezelfde periode een toename van de woningen met maar een of twee kamers (zijnde slaapkamers, speelkamers en bureaus). Deze toename gaat gepaard met een afname van het aandeel van de woningen met vier of meer kamers. Het aandeel woningen met drie kamers blijft gelijk. Deze klasse van woningen vertegenwoordigt ongeveer een derde van de woningvoorraad in 2013.
In de vragenlijst werd voor de eengezinswoningen ook gepeild naar de grootte van het perceel waarop de woning staat. In 2013 bedroeg deze 1 237 m2 en de mediaan 600 m². Ten opzichte van 2005 is de gemiddelde perceelsgrootte licht, maar niet significant gedaald en de mediaan hetzelfde gebleven. De Decker e.a. (2010) wezen op een dalende trend in de kavelgrootte bij nieuwbouw (voor de periode 2002‐2007). In 2002 was de gemiddelde kavel voor nieuwbouw van een eengezinswoningen 1205 m², in 2007 was dit gedaald naar 994 m² (cijfers ADS). Gezien deze dalende trend in de nieuwbouw en de trage evolutie van de totale woningvoorraad is de perceelsgrootte volgens het GWO zeer aannemelijk.
Verder schatten de respondenten de totale oppervlakte van het gelijkvloers7 in 2013 op 105 m2. Ook dit verschilt nauwelijks met de 104 m2 in 2005 (Heylen et al., 2007).