De officiële uitleg luidt dat Griekenland ‘de voordelen van de Europese solidariteit’ ondervond. De Spaanse minister van Economie, Luis de Guindos, stelde onlangs: ‘Griekenland kreeg 210 miljard euro, waarvan 26 miljard van Spanje. Dankzij dat geld kon het de overheidsdiensten draaiende houden.’ Volgens De Guindos, kandidaat-voorzitter van de Eurogroep, garandeerde de Europese solidariteit dat de ‘dokters, de politiemannen en de gepensioneerden’ nog betaald konden worden. Dat klinkt mooi, maar is verre van waar. Onderzoek heeft uitgewezen dat slechts 27 miljard euro van het omvangrijke reddingspakket bij de Griekse staat en dus de bevolking is terechtgekomen. Dat is amper 11 procent van het pakket. Sterker nog. Sinds 2013 krijgt Griekenland geen rooie duit meer binnen. De cijfers zijn bekend, maar duiken maar zelden op. Ze vormen een soort undergroundversie van de Griekse redding, die maar moeizaam gehoor vindt.
De reden waarom de officiële versie van de solidariteit wordt doorgeduwd, is simpel: het klinkt politiek beter om te zeggen dat je solidair bent met een land en zijn inwoners, dan dat je moet zeggend dat je uiteindelijk alleen maar de financiële instellingen hebt gered.
De realiteit is echter dat er wel degelijk winnaars zijn in het Griekse drama: de privékredietverstrekkers. De Griekse en buitenlandse banken dus. Direct en indirect ging 80 procent van de noodleningen aan Griekenland naar de financiële sector, zowel naar de Griekse als de buitenlandse banken. Bij de buitenlandse banken ging het vooral om Duitse en Franse banken.