Afdeling 5.2.7. Keuze en gebruik ter beperking van de brandverspreiding
Onderafdeling 5.2.7.1. Algemeenheden
Moeten niet aan de eisen van de onderafdelingen 5.2.7.2. en 5.2.7.3. beantwoorden:
1. de samenstellende geïsoleerde geleiders van een kabel;
2. de geïsoleerde geleiders en de kabels van de stroombanen van een elektrische machine of toestel waarvan
het geheel gedekt is door een EU-conformiteitsverklaring;
3. voor de geïsoleerde geleiders en kabels die zijn geïnstalleerd (afzonderlijk of in bundel/laag) met de
volgende plaatsingswijzen:
- de geïsoleerde geleiders in buizen die in een onbrandbare bekleding met een minimale diepte van 3
cm zijn verzonken;
- de kabels, al dan niet in buis, die in een onbrandbare bekleding met een minimale diepte van 3 cm zijn
verzonken;
- de luchtlijnen met geïsoleerde geleiders;
- de ondergrondse kabels;
- de kabels geplaatst in met zand gevulde kanalen;
- de uiteinden van:
- ondergrondse kabels, of
- kabels geplaatst in met zand gevulde kanalen, of
- kabels, al dan niet in buis, die in een onbrandbare bekleding met een minimale inbouwdiepte van
3 cm zijn verzonken, of
- geïsoleerde geleiders in een buis die in een onbrandbare bekleding met een minimale
inbouwdiepte van 3 cm zijn verzonken,
aangebracht in openlucht of in opbouw, voor zover de lengte van deze uiteinden 3 m niet
overschrijdt en zij geplaatst zijn in een omgeving met normaal brandgevaar. Deze uitzondering van
de uiteinden is nochtans niet toegelaten:
- voor de geïsoleerde geleiders en de kabels in openlucht of in opbouw voor een aansluiting op een
laagspanningsverdeelnet;
- voor de aftakkingskabels, al dan niet in buis, in openlucht of in opbouw;
- voor de geïsoleerde aftakkingsgeleiders in een buis in openlucht of in opbouw.