Hof van beroep - Antwerpen - Arrest van 4 november 2025 - Rol nr 2024/AR/453
2.2 Art. 49 WIB92
Overeenkomstig artikel 49 WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken, of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
De betwisting betreft de vraag of de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
Het hof oordeelt vooreerst dat het feit dat de kosten werden gemaakt door een handelsvennootschap, niet automatisch de aftrekbaarheid ervan impliceert, ondanks het feit dat dergelijke vennootschappen uitsluitend met een winstgevend doel zijn opgericht. Vennootschappen dienen, zoals andere belastingplichtigen aan te tonen dat aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan (Cass., 18 januari 2001, F.J.F., nr.2001/220; Cass., 19 juni 2003, T.F.R., 2004, nr.257, p.256; Cass., 12 juni 2009, F.07.0083.N/19; Cass., 10 december 2010, F.09.0129.N/3, zie website van het Hof van Cassatie; Grondwettelijk Hof, 26 november 2009, nr.191/2009,
www.const-court.be).
De administratie heeft niet de bevoegdheid om de gepastheid of het nut te beoordelen van kosten die een belastingplichtige heeft gedaan. Dit belet evenwel niet dat de administratie de werkelijkheid van de kosten mag nagaan en onderzoeken of ze wel een beroepskarakter hebben.
Er kan de administratie en het hof geen verboden opportuniteitsbeoordeling verweten worden, waar zij eisen dat de belastingplichtige voldoet aan haar bewijslast van artikel 49 WIB92.
Het is aan eiseres in hoger beroep om aan te tonen dat de kosten van de wagens (uitgezonderd de Porsche) zijn gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te behouden of te verwerven.
Uit geen enkel gegeven blijkt dat de kwestieuze voertuigen ook effectief beroepsmatig werden gebruikt noch wordt dit aannemelijk gemaakt.
Het hof stelt samen met verweerder in hoger beroep vast dat eiseres in hoger beroep aan Z... A..., haar bedrijfsleider, volgende wagens ter beschikking stelde voor aanslagjaar 2018 namelijk een Porsche 911 en een Mercedes GLE 350 en voor aanslagjaar 2019 een Porsche 911, een Mercedes GLE 350, een Mercedes A 160 die werd gehuurd en een Range Rover in gebruik vanaf 16/12/2018.
De belastingadministratie aanvaardde de aftrek als beroepskost van één wagen met name de Porsche 911.
Uit het dossier blijkt dat de belastingplichtige er niet in slaagt aan te tonen dat de andere voertuigen (dan de Porsche 911) daadwerkelijk beroepsmatig werden gebruikt.
De eerste rechter oordeelde terecht dat de rittenoverzichten niet verduidelijken met welk voertuig de betrokken ritten werden gemaakt. De rittenoverzichten betreffen eenzijdig opgestelde stukken die niet ondersteund worden door objectieve gegevens. Het is voor het hof onmogelijk om de echtheid van deze rittenbladen na te gaan. Er wordt geen agenda met een overzicht van afspraken voorgelegd. Het blijkt niet hoeveel kilometers de betrokken voertuigen in de betrokken inkomstenjaren hebben afgelegd. Het blijkt ook niet hoe het totaal aantal kilometers afgelegd door het voertuig Porsche (waarvan de kostenaftrek werd aanvaard) zich verhoudt ten opzichte van het totaal aantal kilometers in de rittenoverzichten. De voorgelegde onderhoudsfacturen zijn hiervoor ontoereikend.
Er kan geen link gemaakt worden tussen de locaties uit de rittenoverzichten en de door eiseres in hoger beroep gerealiseerde inkomsten. De adressen vermeld op de rittenbladen hebben betrekking op van eiseres in hoger beroep te onderscheiden rechtspersonen (Tandheelkundig Centrum Goirle in Goirle, Tandartsenteam De Besterd in Tilburg, tandartsenpraktijk Sterdent in Zaventem, Dierick Dental Care te Brasschaat). Het blijkt niet dat de beweerdelijke werkzaamheden die de heer A... op deze locaties zou verrichten betrekking hebben op het verwerven of behouden van belastbare inkomsten in hoofde van eiseres in hoger beroep. Het blijkt niet dat deze tandartspraktijken werden uitgebaat door eiseres in hoger beroep zelf, noch dat eiseres in hoger beroep vergoedingen heeft aangerekend voor eventuele prestaties die namens eiseres in hoger beroep zouden zijn verricht voor deze andere tandartspraktijken. Er worden geen stukken voorgelegd waaruit blijkt dat eiseres in hoger beroep vergoedingen heeft aangerekend voor prestaties in deze andere tandartspraktijken. Het blijkt niet dat de verplaatsingen naar deze andere praktijken gebeurden met de bedoeling in hoofde van eiseres in hoger beroep belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
Hetzelfde geldt voor de verplaatsingen naar het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). Het betreft werkzaamheden uitgevoerd door de heer A... als hoofddocent. De zaakvoerder van eiseres in hoger beroep is persoonlijk actief als hoofddocent. Het blijkt niet dat deze kosten inherent zijn aan de activiteit van eiseres in hoger beroep. Uit de voorgelegde stukken blijkt niet dat de kosten voor verplaatsingen naar Amsterdam gedaan of gedragen zijn om in hoofde van eiseres in hoger beroep belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Eiseres in hoger beroep komt niet verder dan loutere beweringen.
Terecht oordeelde de eerste rechter dat de ritten van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep naar de maatschappelijke zetel (in de Riemstraat) vallen onder woon-werkverkeer en dus privéverplaatsingen betreffen.
Ook de facturen van de in rekening genomen kosten, de verkoop- en aankoopfactuur van de wagens, de verkeersbelasting en de verzekeringsfactuur tonen het beroepsmatig karakter van de thans nog ter discussie staande voertuigen niet aan.
Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat de terbeschikkingstelling van meer dan één wagen een beroepsmatig karakter heeft. Eiseres in hoger beroep levert niet het minste bewijs dat het beroepsmatig gebruik meer zou bedragen dan hetgeen aanvaard werd door de belastingadministratie. De aanvoeringen van eiseres in hoger beroep desbetreffend overstijgen de loutere bewering niet.
De bezoldigingstheorie betekent geen vrijgeleide om alle uitgaven, die de vennootschap onder het mom van een bezoldiging doet, als fiscaal aftrekbare kosten te beschouwen. Dit laatste is enkel het geval wanneer het toegestane voordeel de tegenprestatie is van werkelijk geleverde prestaties.
Te dezen blijkt dat er helemaal geen sprake is van een voordeel van alle aard dat op fiche wordt vermeld met betrekking tot de voertuigen, uitgezonderd de Porsche 911.
Zelfs als in hoofde van de bedrijfsleider al sprake zou kunnen zijn van een voordeel van alle aard -quod non- heeft dit daarom nog niet automatisch tot gevolg dat de kosten verband houden met de beroepswerkzaamheid van de vennootschap aangezien te dezen niet aangetoond is dat er werkelijke prestaties tegenover staan.
Uit geen enkel gegeven blijkt te dezen dat het specifieke beweerde voordeel ertoe strekt werkelijke prestaties verricht voor de vennootschap te vergoeden (vgl. Cass. 14 oktober 2016, F.15.0103.N,
www.cass.be). Het feit alleen dat de zaakvoerder wel prestaties levert voor de vennootschap is onvoldoende. Er wordt geen enkel document ter staving van de verloningspolitiek van de bedrijfsleider voorgebracht. Het is te dezen niet aangetoond dat de kosten werden gemaakt met het oog op het vergoeden van werkelijke prestaties, door de zaakvoerder geleverd voor de vennootschap in het kader van de maatschappelijke activiteit van deze laatste.
Het blijkt niet dat er enige aanwijsbare economische oorzaak of noodzaak zou zijn voor de terbeschikkingstelling van meer dan één wagen. Het is te dezen niet aangetoond dat de kosten van meer dan één wagen werden gemaakt met het oog op het vergoeden van werkelijke prestaties, door de heer Z... A..., als bedrijfsleider, geleverd voor de vennootschap. Er worden ook totaal geen cijfergegevens desbetreffend naar voor gebracht.
Terecht heeft de belastingadministratie dan ook de kosten van de andere voertuigen (dan de Porsche 911) verworpen als aftrekbare beroepskost.
Het hof wijst de overige argumenten, gelet op voorgaande, af als niet ter zake dienend en/of overbodig.