Al had ik hetzelf geschreven...
Kritiek op de armoedekritiek (Opinie: Peter De Keyzer)
Met het botten van de bomen breekt voor hooikoortslijders het allergie-seizoen aan. Zo gaat het ook met de jaarlijkse publicatie van de armoedecijfers.
Telkens die verschijnen, klinkt vooral kritiek op het gevoerde armoedebeleid. Hoe het cijfer zich ook ontwikkeld heeft, het is altijd voldoende aanleiding om het beleid door de mangel te halen.
Toch moeten we kritisch zijn voor al die armoedekritiek.
Uiteraard is elke arme er een te veel. Niettemin doet Vlaanderen het op dat vlak bijzonder goed. Met amper 10 procent armen zijn we koploper in Europa. In Zweden is 13 procent van de bevolking arm, in Wallonië bijna 20 procent en in Brussel zowat 30 procent. Welke regering Vlaanderen ook bestuurde, tussen 2004 en 2015 bleef het Vlaamse armoedecijfer nagenoeg constant.
Het voornaamste probleem met de armoedecijfers is dat ze vooral ongelijkheid meten. Zo wordt eerst gekeken naar het middelste inkomen in een land. Wie minder dan 60 procent van dat mediaaninkomen verdient, geldt als ‘arm’. Dat is zowat 10,3 procent van de bevolking in Vlaanderen. Stel nu dat we van vandaag op morgen alle inkomens verdubbelen. Iedereen is plots dubbel zo rijk, maar ook het mediaaninkomen en dus ook de armoedegrens zouden verdubbelen.
Paradoxaal genoeg zou het percentage armen ongewijzigd blijven. Het armoedecijfer meet immers vooral ongelijkheid en niet noodzakelijk materiële achterstelling. Zo is het percentage armen in Hongarije en Tsjechië lager dan in Vlaanderen, terwijl mensen er met veel minder geld rond moeten komen en ook de levensverwachting er lager ligt.
In 2004 was een Vlaams huishouden met twee volwassenen en twee kinderen arm met een jaarinkomen van minder dan 19.749 euro.
Vandaag ben je pas arm met minder dan 27.285 euro. Ook geografisch wordt de armoede op die manier anders geïnterpreteerd. In België ben je als gezin arm met een maandinkomen van minder dan 2.100 euro, in Bulgarije ben je dat met minder dan 400 euro.
Een bijkomend probleem met armoedecijfers is dat ze niet statisch zijn. Ze zijn een momentopname van een dwarsdoorsnede van de samenleving.
Dat de armoede jaar in jaar uit onveranderlijk is, betekent niet dat ook de samenstelling van de groep armen ongewijzigd blijft. Wie vandaag arm is, is dat niet noodzakelijk ook morgen en omgekeerd.
Een 18-jarige die voor het eerst op de arbeidsmarkt komt, verdient weinig in vergelijking met een 40-jarige met ervaring.
Maar er komt een dag dat die 18-jarige zonder ervaring ook een 40-jarige met ervaring zal zijn. Een werknemer die plots op een laag pensioen terugvalt, dondert dan weer naar beneden in de inkomensverdeling.
Puur kijken naar een armoedecijfer onderschat zowel opwaartse als neerwaartse sociale mobiliteit.
Het echte probleem in Vlaanderen is niet de veel te hoge armoede. Integendeel,
onze lage armoede is uitgerekend een van de zaken waarop we terecht trots kunnen zijn. We hebben dan ook een van de meest performante socialezekerheidssystemen. Zonder herverdeling zouden we een van de meest ongelijke landen van de Europese Unie zijn, na herverdeling zijn we een van de meest gelijke.
Het echte probleem is onze veel te lage activiteitsgraad op de arbeidsmarkt. Geen job hebben geeft een erg groot risico op armoede. Kijk bijvoorbeeld naar de bijzonder lage participatiegraad bij migrantengezinnen. Minder dan 4 op de 10 nietEuropese vrouwen in België werken. Dat is de snelste weg naar armoede, voor de huidige én de volgende generatie.
De belangrijkste risicofactor voor armoede is niet ‘weinig geld hebben’ maar wel ‘niet werken’. Een echt armoedebeleid ijvert er dan ook voor dat we makkelijker jobs creëren voor de minst geschoolden, werkloosheidsvallen wegnemen, uitkeringen beperken voor wie inactief is en garanderen dat een job altijd de meest logische keuze is.
Laat ons trots zijn op onze voorbeeldige armoedecijfers. Willen we nog beter doen? Dat kan alleen met een beter functionerende arbeidsmarkt.
Kritiek op de armoedekritiek | De Tijd