memorexxx zei:
Jongen eerlijk, tenzij jij kan afkomen met een voorbeeld van iemand die meer buizen heeft als wat anders die geen CLB begeleiding krijgt, dan ga ik er vanuit uit persoonlijke ervaring dat iedereen die het slecht doet op school hulp aangeboden krijgt van het CLB...
Waarom? IK heb je de doelstellingen van het CLB getoond en daar staat duidelijk in dat scholen OF ouders/leerling het inititatief moeten nemen.
Als jij dus beweerd dat dit niet klopt bewijs het dan maar.
taal : eigen schuld
gene steun thuis krijgt : ouders hun schuld
de school niet voldoen: Bullshit, voor de anderen voldoen de scholen wel.
zelf zijn broek aan veegt: eigen schuld + schuld van de ouders ...
Omdat je blijft moeite hebben het te snappen pak ik er nog wat studies bij :
Indien je de meoite neemt om dit te lezen zal je zien dat er een boel redenen opgesomt worden anders dan "ze willen niet" waar men WEL iets aan kan doen dmv informatie of andere aanpak.
http://www.ond.vlaanderen.be/publicaties/eDocs/pdf/278.pdf
Uit dit onderzoek blijkt duidelijk dat er niet één verklarende factor is voor de probleemstelling
die aan de basis lag van het onderzoek, namelijk de lagere doorstroming
naar en het lagere studierendement in het H.O. van allochtone jongeren. Het
gaat eerder om een cumulatie van allerlei onderling samenhangende risicofactoren,
waarbij elke risicofactor een indicator is voor minder goede studieresultaten.
Studeren is te vergelijken met een ladder beklimmen. Bij elk niveau, elk jaar, van
kleuterklas tot hoger onderwijs, moeten er nieuwe treden genomen worden. Uit ons
onderzoek blijkt dat allochtone studenten al van bij de aanvang van het S.O. treden op
die ladder missen. Hun socio-economische achtergrond is in vergelijking tot de rest
van de samenleving eerder laag, hun verbale vaardigheden liggen lager, ze volgen in
de helft van de gevallen opleidingen in het S.O. die niet of slecht voorbereiden op het
H.O., missen rolmodellen en hebben een gebrek aan informatie over het H.O.. Ook
in de overgang naar het H.O. worden een aantal belangrijke treden overgeslagen: men
exploreert de mogelijkheden onvoldoende, kiest vaak vanuit materiële overwegingen,
legt adviezen naast zich neer. In het hoger onderwijs is het contact met autochtone
studenten, met staf en studiebegeleiding lager en is het studierendement zeer slecht.
Studeren wordt voor deze studenten een quasi reuzensprong van de laagste sport
tot de eerste: essentiële treden ontbreken. Dit is zeer jammer, omdat deze groep een
sterke ambitie heeft en er - vooral bij de meisjes – een duidelijke emancipatorische
beweging gaande is.
Archief
Bij de allochtonen liggen die vooral bij hun studiekeuze, hun schoolloopbaan en hun inzet, maar ze zijn ook gelinkt aan hun thuissituatie.
oe komt het dat het hoger onderwijs voor allochtone jongeren in Vlaanderen te hoog gegrepen lijkt?
Prof. Marlies Lacante: «Daarvoor moeten we de antwoorden zoeken bij hun studiekeuze (ze komen meer uit technisch en beroepsonderwijs), hun schoolloopbaan (ze zijn vaker doorverwezen of ‘blijven hangen’) en hun inzet (ze blijven vaker weg uit de les en studeren minder). Deze factoren gaan ook samen met hun thuissituatie: ze komen meer uit kansarme gezinnen. Maar let wel, als een Vlaamse achttienjarige uit het hoger onderwijs wegblijft of er mislukt, is dat om gelijkaardige redenen. Alleen komen deze oorzaken verhoudingsgewijs veel meer voor bij allochtonen, vooral uit de islamregio. En het ergste is dat ze al vroeg in het basisonderwijs zichtbaar zijn
n welke zin speelt de thuis van jongeren een rol?
Marlies Lacante: «In het algemeen liggen de slaagkansen van jongeren met minder opgeleide of werkloze ouders lager. Welnu, 56 procent van de allochtone studenten komt uit een gezin met een lage sociaal-economische situatie, tegen maar 10 procent van de Vlaamse. We vonden in ons onderzoek zelfs bijna geen Vlaamse studenten van wie de ouders enkel een diploma lager onderwijs hebben. Het nieuwe aan dit onderzoek is echter dat we veel meer dan de thuissituatie (die vrij statisch is) onderzocht hebben, zodat we deze risicofactor kunnen koppelen aan andere risicofactoren waar je gemakkelijker wat aan kan doen.»
Een andere oorzaak van hun falen: ze beheersen het Nederlands niet zo goed.
Marlies Lacante: «Dat is een van de grootste pijnpunten. Om de academische taal van hogeschool en universiteit te beheersen, moet je taalvaardig zijn. Van de groep allochtone studenten die Nederlands als moedertaal aangeeft, slaagt 36 procent in het eerste jaar. Van zij die een andere taal spreken, is dat maar 22 procent. Het taalprobleem speelt al vroeg in hun schoolloopbaan, maar wordt blijkbaar onvoldoende weggewerkt. Internationaal onderzoek legt nog andere pijnpunten bloot: vooral leerlingen van islamorigine scoren voor wiskunde, wetenschappen en probleemoplossende vaardigheden lager dan Vlaamse leerlingen. Ze hebben achterstanden die ze op school niet inhalen.»
Enkele jaren geleden ontdekte u dat afstuderende zesdejaars zich het sterkst laten beïnvloeden door iemand die een beroep uitoefent dat hen interesseert. Als dat bij allochtone jongeren ook zo is, dan kennen die toch maar weinig hoogopgeleiden om zich aan te spiegelen en advies aan te vragen.
Marlies Lacante: «Dat is zo. Bovendien schatten allochtone studenten zichzelf te hoog in en bij hun studiekeuze houden ze weinig rekening met de adviezen van de klassenraad en het CLB. Ze informeren zich minder actief dan Vlaamse jongeren en hun keuzemotieven zijn anders: Vlaamse jongeren kiezen meer uit interesse en om zichzelf te ontplooien, allochtone kiezen relatief meer vanuit materiële motieven, en voor status en carrière. Zij schrijven zich daarom meer in voor economische studierichtingen (hoge status in hun land van herkomst, meer kansen op een goed inkomen, carrièremogelijkheden…). En omdat in hun land van herkomst het begrip ‘hogeschool’ vaak niet gekend is of zij slecht geïnformeerd zijn over de studiemogelijkheden, lijkt de universiteit voor velen het enige ‘echte’ hoger onderwijs.»
Kiezen meisjes anders dan jongens?
Marlies Lacante: «Binnen de islamgroep studeren meer bso-jongens voort dan bsomeisjes. In het tso en aso is dat omgekeerd. Misschien hebben meisjes een realistischer beeld over de vereisten van een hogere studie, misschien zien ze voortstuderen ook als een manier om zelfstandiger in het leven te kunnen staan. Ze kiezen wel meer dan jongens voor sociale studierichtingen. Jongens kiezen meer statusgerichte, economische richtingen.»
Zijn allochtone studenten goede studenten?
Marlies Lacante: «Ze zijn minstens even gemotiveerd als autochtone, maar vooral islamallochtonen staan gemiddeld minder positief tegenover huiswerk. Dat is zo in het secundair onderwijs en het zet zich door in het hoger onderwijs. Tijdens de week studeren ze minder uren en ze gaan minder naar de lessen dan de gemiddelde Vlaamse student. Bovendien hebben ze minder inzicht in de verwachtingen, normen en attitudes die men in het hoger onderwijs vooropstelt.»
Het probleem lijkt niet in een handomdraai opgelost. Wat stel je voor?
Marlies Lacante: «De gezinssituatie van allochtone studenten kan je op korte en zelfs middellange termijn weinig veranderen, maar andere risicofactoren wel en dat is ook de taak van het lager en secundair onderwijs: taalvaardigheid, studiekeuze, studiehouding. Aan het beeld dat enkel hoger onderwijs of zelfs enkel de universiteit tot succes leidt in het beroepsleven moeten we zeker werken, want dat is een verkeerd beeld. Andere suggesties: besteed meer aandacht aan studiekeuzebegeleiding in het secundair onderwijs; probeer veel vroeger zicht te krijgen op de taalachterstand van allochtone leerlingen, het kan niet dat hun taalproblemen pas opduiken in het hoger onderwijs; laat taalzwakke jongeren een speciaal programma volgen om die achterstand te verkleinen; communiceer gedetailleerd met jongeren en ouders over de mogelijkheden in het hoger onderwijs; en voorzie eventuele mogelijkheden waardoor jongeren hun studie over een langere periode kunnen spreiden.»