...
Banken en hevige concurrentie
Veronderstel dat u de directeur bent van Bank A, en u voert een hevige concurrentiestrijd met de andere banken - Bank B, Bank C enzovoort. U wil er alles aan doen om meer klanten naar uw bank te lokken en meer winst te maken.
U kent de principes van een lening en van bewaargeving. Maar u beseft ook dat u veel geld kunt verdienen door de principes van bewaargeving niet toe te passen. Wanneer mensen 100 miljard op hun Bank A-zichtrekening geplaatst hebben, dan is het toch zeer verleidelijk om dat geld uit te lenen en een mooie interestvergoeding op te strijken...
Maar u weet dat alle andere banken in net dezelfde situatie verkeren. Ook Bank B vindt het verleidelijk om 'full reserve banking', dus strikte toepassing van de bewaargevingsprincipes, achterwege te laten en over te schakelen op 'fractional reserve banking'.
Bank B is echter uw grote concurrent. En u weet ook dat mensen regelmatig geld overschrijven van Bank A naar Bank B en terug. U bedenkt een briljante strategie: u wacht gewoon af tot de directeurs van Bank B bezweken zijn voor 'fractional reserve banking', maar zelf houdt u zich gewoon aan de bewaargevingsprincipes. Na verloop van tijd zullen klanten van Bank B geld overschrijven naar uw bank - u krijgt dus een aantal vorderingen op Bank B. En dan, wanneer die vorderingen een mooie omvang hebben, gaat u in één keer het totale bedrag opvragen bij Bank B.
Dat had Bank B niet verwacht. Doordat Bank A in één keer zoveel geld opgevraagd heeft, zijn de reserves van Bank B verzwakt. Klanten van Bank B beginnen plots te vrezen dat ze hun geld misschien niet zullen terugzien. En dàt is het gedroomde moment om een reclamecampagne te starten waarin u Bank A aanprijst als een goede, veilige bank. Nog meer klanten stappen over van Bank B naar Bank A, en u kunt nog meer geld opvragen bij Bank B, tot Bank B uiteindelijk de handdoek in de ring gooit en failliet gaat.
Bank A komt intussen als grote overwinnaar uit de bus, want in de hele crisis had u 'full reserves' aangehouden, en kon u stipt alle opvragingen voldoen.
Met andere woorden, in deze hevige concurrentiestrijd heeft Bank B een tijdelijk voordeel (tijdelijke winsten door 'fractional reserve banking'), maar uiteindelijk kon Bank A haar concurrent op de knieën dwingen door zelf strikt de bewaargevingsprincipes toe te passen. De bank met het 'conservatieve' beleid heeft dus een concurrentieel voordeel op de fractional reserve banken.
Hoe is het zover kunnen komen?
Als 'full reserve banking' als winnaar uit de bus komt in een concurrentiestrijd, waarom hebben we dan vandaag alleen maar 'fractional reserve' banken?
De directeur van Bank A beseft dat hij, in een concurrentiële omgeving, op lange termijn baat heeft bij een conservatief beleid. Maar de directeur van Bank A weet ook dat fractional reserve banking zeer lucratief is. In een ideaal scenario (voor de bankdirecteurs!) zouden Bank A en Bank B kunnen overeenkomen dat ze elkaar niet zullen lastigvallen, zodat ze beiden ongestoord geld van zichtrekeningen kunnen gebruiken om leningen toe te kennen en interesten op te strijken.
Zulke overeenkomsten zijn niet stabiel. Als Bank A en Bank B zo'n deal zouden sluiten, dan zou het voor Bank A nog altijd interessant zijn om het contract eenzijdig op te zeggen, zeker wanneer Bank B er heilig van overtuigd is dat A woord zal houden: dan zou B namelijk met nog veel kleinere reserves werken en dus nog veel kwetsbaarder zijn voor een aanval van A.
Om zulke overeenkomsten in stand te houden, is er een georganiseerd kartel nodig van alle banken, en een neutrale, derde partij die erop toeziet dat iedereen de afspraken naleeft. En dat is precies de bestaansreden van een centrale bank. Een centrale bank garandeert aan alle kartelleden dat ze ongestoord aan 'fractional reserve banking' mogen doen, door op te treden als 'lender of last resort'. Veronderstel dus dat A toch een aanval inzet op B, dan kan B gewoon het nodige geld lenen bij de centrale bank om de aanval af te slaan. En waar haalt de centrale bank dat geld vandaan? Simpel: ze creëert het gewoon uit het niets...
Wanneer er een centrale bank is, heeft Bank A dus geen enkel competitief voordeel door met 'full reserves' werken, integendeel. Alle andere banken werken ongestoord met 'fractional reserves', en verdienen zo veel geld. Bank A wordt met andere woorden door het financiële systeem aangemoedigd om de principes van bewaargeving achterwege te laten en ook aan 'fractional reserve banking' te doen.
Op die manier ontstaat er dus een systeem dat periodiek, en systematisch, in serieuze crisissen verzeild raakt. Het financiële systeem is georganiseerd als een kaartenhuisje, dat bij de minste windstoot omver kan vallen en dan telkens gered moet worden door de centrale bank. En net doordat er een centrale bank is, worden de banken aangemoedigd om risico's te nemen en zich vooral geen zorgen te maken over die 'verouderde' principes van bewaargeving.
De recente crisis is dus geen uitzonderlijk verschijnsel. Sinds het verschijnen van centrale banken (in Zweden al in 1668; in Engeland in 1694; elders hoofdzakelijk in de negentiende en begin twintigste eeuw) zijn er al ontelbare financiële crisissen gepasseerd, die telkens 'opgelost' werden door geld bij te drukken (of het hedendaagse elektronische equivalent).
Het is duidelijk dat de financiële crisissen slechts een symptoom zijn van de slecht gedefinieerde contracten waarop het hele banksysteem gebaseerd is. En de banken hebben er alle belang bij om de situatie zo te houden: voor hen is het een lucratief systeem met een centrale bank als parachute....