Hier voor de ongelovers die denken dat ik dingen verzin te plekken.
Onderwijs wordt nog altijd gezien als de koninklijke weg naar sociale stijging. Voor kinderen uit gewone en uit arme gezinnen vormt een goed diploma het entreekaartje naar een (betere) plaats in het maatschappelijke theater. Toch blijkt dit een overspannen verwachting; hun achterstelling wordt blijkbaar niet goedgemaakt door ons onderwijssysteem, ondanks vele inspanningen. Meer nog, het onderwijs blijkt bikwijls de bestaande ongelijkheden te reporduceren. Met als slotsoms: het onderwijsniveau van de bevolking gaat erop vooruit, maar de verschillen tussen de bevolkingsgroepen blijven bestaan.
Deze ongelijkheid in het onderwijs neemt verschillende vormen aan: het diploma dat wordt behaald, de studieloopbaan die daaraan voorafgaat, de toegang to het hogeer onderwijs, de kwaliteit van de studieloopbaan en het resultaat van de studieloopbaan, dat is de valorisatie van de opleiding.
Al in jaren 70 en 80 bleek uit emprisch onderzoek dat de deelname aan de verschillende onderwijsniveaus sterk samenhangt met de socioprofessionele categorie van de ouders. De participatie van de kinderen van ongeschoolde arbeiders en van kinderen uit de laagste inkomensdecielen daalde vanaf het secundair onderwijs. Binnen een zelfde onderwijsniveau kiezen kinderen verschillende studierichtingen naar gelang van het socioprofessionele niveau van de ouders. De deelname aan de zogenaamd sterke richtingen daalt systematisch met het beroepsniveau van de vader. Op universitair niveau treffen we weinig kinderen aan uit gezinnen van arbeiders of landbouwers. In begin van de jaren tachtig ging de deelname van jongeren uit dze gezinnen zelf terug achteruit. Dit beeld verschijnt ook wanneer de participatiegraad aan het universitair onderwijs wordt verbonden met het onderwijsniveau van de ouders. Hoe hoger dit onderwijsniveau, hoe groter de partipatie. Jongeren uit gezinnen met laaggeschoolde ouder zijn sterk ondervertegenwoordigd in het universitaire onderwijs. De ongelijke participatie is iets minder uitgesproken in het hoger onderwijs buiten de universiteit, maar ongelijkheid wordt in beide onderwijssystemen ge reproduceerd.
Over het waarom van deze vormen van ongelijke participatie in het onderwijs hadden het vroeger al; Bourdieu en Passeron(cultureel dificiet) en Bernstein boden stukken van de verklaring. Een onderzoek van De Neve(1991) ondersteunt de hypothese dat de mate waarin het onderwijs aansluit bij het socioculturele patroon van het gezin, een belangrijke rol speel bet het al of niet succsrijke verloop van de onderwijsloopbaan. Dat wil zeggen dat, ook bij een gelijke bekwaamheid en vooropleiding, studenten die afkomstig zijn uit hogere beroepscategorieën beter voorbereijd zijn op hoger onderwijs. Kom het omdat factoren als vlotheid, zich thuis voelen in de studie, intrinsieke motivatie en ondersteuning thuis een belangrijke rol spelen? Natuurlijk mogen toren niet materiele factoren niet worden onderschat, zoals dat vele ouders het moeilijk hebben om de studies van hun kinderen te betalen en/of rond te komen zonder het inkomen dat een werkend kind binnenbrengt.
Zelfs wanner jongeren een universitair diploma behalen, is daarme de kous der ongelijkheid niet af. Er is de groeiende verwachting dat een tweede diploma wordt behaald, dat(dure) specialisaties worden gevolgd. Ook de aksen op een succesvolle overstap naar de arbiedsmarkt worden bepaald door de ongelijke sociale herkomst. Zo speel het sociale net werk een belangrijke rol bij de toetrede to de arbeidsmarkt en dat netwerk ziet er heel anders uit bij kinderen uit de hogere sociale klassen dan bij de anderen, waar het meestal weinig relevant is voor het verkijgen van een goede jab. Zoals we al zagen, ontbreken 'zwakke banden' in het netwerk van mensen uit arbeiedersklasse of uit arme bevolkingsgroepen.