4.2 De trainingsstatus (beginnend versus gevorderd)
Als iemand voor het eerst krachttraining doet, heeft hij/zij grote kans dat de volgende dag spierpijn optreedt. Als na enkele dagen spierbiopten worden genomen blijkt dat een groot deel van de spiervezels ernstig beschadigd is (Jones & Round, 1990). Dit verschijnsel wordt geweten aan de intense excentrische contracties (zie paragraaf 4.1.1) die typerend zijn voor krachttraining en in het dagelijks leven weinig voorkomen. Gedurende het herstel van de spier vinden allerlei processen plaats die een verhoogde eiwitbehoefte veroorzaken (Evans W.J., 1991). De periode die nodig is voor volledig herstel bedraagt zo'n 3-4 weken (Jones & Round, 1990) en in die periode kan een hogere eiwitinname gunstig zijn.
Wanneer het lichaam eenmaal hersteld is van deze eerste training blijkt het lichaam gedurende langere tijd (plusminus 6 weken) beter beschermd te zijn tegen de schadelijke effecten van excentrische contracties. Als de persoon krachttraining blijft verrichten dan blijft de bescherming ook in stand.
Kreider et al., (1993) noemen een andere reden voor de toegenomen eiwitbehoefte bij beginnende krachttraining. Zij denken dat deze veroorzaakt wordt door een toegenomen netto eiwitsynthese in het skeletspierweefsel. De toegenomen afbraak van rode bloedcellen en plasma eiwitten, die bij beginnende krachttraining is geconstateerd, is volgens hen een methode van het lichaam om aan de extra vraag naar eiwitten te voldoen. Kreider et al. suggereren dat deze ongewenste afbraak, die tot anemie kan leiden, voorkomen kan worden door tijdelijk de eiwitinname te verhogen.
Bij beginnende krachttraining lijkt er dus sprake van een bijzondere situatie waarin mogelijk een verhoogde eiwitbehoefte optreedt als gevolg van schade aan de spier en/of een toegenomen netto eiwitsynthese. Het is voor de evaluatie van studies naar de eiwitbehoefte daarom van belang te weten of de proefpersonen nog onbekend met krachttraining zijn of dat zij al enige ervaring hebben.
In de studie van Lemon et al. (1992) (paragraaf 3.1.3) werden onervaren proefpersonen getest. Deze proefpersonen hadden voorafgaande aan de studie slechts een week getraind om onder andere de mate van spierpijn te reduceren. De auteurs vergelijken de aanbevelingen die zij voor deze proefpersonen doen (1.6-1.7 g/kg/d) met de bevindingen van een onderzoek van Tarnopolsky et al. (1988) waarin gevorderde bodybuilders in stikstofbalans waren met een eiwitinname van slechts 1.05g/kg/d. Lemon et al. concluderen dat het begin van een bodybuilding programma leidt tot een grotere spiereiwitturnover en een grotere netto eiwitsynthese wat resulteert in spiergroei, terwijl de gevorderde bodybuilder zich op een plateau bevindt met relatief weinig aanwas van spierweefsel. Deze visie komt dus min of meer overeen met die van Kreider et al..
Ondanks de grote invloed van deze factor wordt in review-artikelen weinig aandacht besteed aan het verschil tussen beginnende en gevorderde krachtsporters. Tarnopolsky (1993) maakt dit onderscheid wel en doet aanbevelingen op basis van slechts drie studies (de twee zojuist genoemde studies en het onderzoek dat besproken is in paragraaf 3.1.4). Voor beginnende krachtsporters noemt hij een waarde van ± 1.6 g/kg/d terwijl gevorderde bodybuilders, die op eenzelfde intensiteit blijven trainen met 1.2 g/kg/d kunnen volstaan. Verder schat hij dat gevorderde bodybuilders die de intensiteit van hun training toe laten nemen 1.4-1.7 g/kg/d eiwit nodig hebben. Dit is opmerkelijk aangezien de toename in trainingsintensiteit de eiwitbehoefte dan weer op het niveau van een beginner brengt. Het is helaas niet duidelijk op welk onderzoek Tarnopolsky deze laatste aanbeveling baseert.
Als Tarnopolsky gelijk heeft dan kan een verhoging van intensiteit misschien gezien worden als een soort 'begin van training'. Dit is voor de praktijk interessant aangezien veel krachtsporters tegenwoordig gebruik maken van periodisering; zij wisselen perioden van zware training af met perioden van lichtere training. De overgang van lichte naar zware training betekent een verhoging van de intensiteit en gaat vaak gepaard met spierpijn (schade aan de spier) en spiergroei (netto eiwitsynthese). Deze overgang is daarom te vergelijken met beginnende krachttraining waardoor inderdaad een verhoogde eiwitbehoefte op kan treden.