Jan Dumolyn: In de negentiende eeuw wilde iedereen dat verhaal recupereren. Eerst en vooral schrijver Hendrik Conscience, die een belgicist was. Hij maakte er een verhaal van de onafhankelijkheid van België tegenover Frankrijk van.
Vanaf 1860 ging ook de opkomende Vlaamse beweging de gebeurtenissen van 1302 instrumentaliseren ten bate van de Vlaamse ontvoogding. Ook de socialisten deden dat. In 1902 was er een mars in Kortrijk, waar volkshelden Jan Breydel en Pieter De Coninck als een soort vakbondsmannen werden voorgesteld. Katholieken, liberalen, allemaal hadden ze hun verhaal.
Alleen de Vlaams-nationalistische recuperatie overleefde bij het grote publiek. Maar in de vakhistorische wereld gelooft niemand dat 1302 ook maar iets met Vlaamse onafhankelijkheid te maken heeft. Je wordt uitgelachen als je zoiets zou beweren. Het is de roman van Conscience die nog altijd domineert, die dan plots Vlaams-nationalistisch is geworden in plaats van Belgisch-nationalistisch.
Vlaams-nationalisten hebben dan in 1970 van 11 juli de Vlaamse feestdag gemaakt. Maar zo’n middeleeuwse leeuw en zo’n veldslag: als je serieus bent, kan je daar anno 2020 niet veel meer mee doen. Zelfs de nationalisten gebruiken de Guldensporenslag niet veel meer, vind ik. Ik heb nog nooit geweten dat Bourgeois of Leterme echt de retoriek van 1302 gebruikte.